donderdag 29 september 2016

Over het lezen van plaatjesboeken

Kijk, van zo'n vraag word ik meteen enthousiast: Lees je weleens andere boeken dan boeken met tekst? En is dat dan nog lezen? Vraag 39 van het project #50books van Hendrik-Jan (KLIK HIER). 

Er zijn enkele categorieën "plaatsjesboeken" waar ik graag in kijk, t.w. fotoboeken, kunst- en museumcatalogi en oude atlassen. En om dat er maar meteen aan te koppelen: ja, dat vind ik toch ook lezen. Ik zal dat hieronder even uitleggen.

Als hobbyfotograaf kijk ik graag naar de foto's van de echte fotografen. Ik kan genieten van de prachtige plaatjes, maar ik "lees" ze ook. Ik probeer hun keuzes te begrijpen wat betreft onderwerp, compositie, instellingen van de camera, ga soms op zoek naar de achterliggende gedachte. Wat wilde de fotograaf met deze foto zeggen?


Boeren - Charlie Toorop
Daarnaast heb ik heel wat  kunst- en museumcatalogi. Ik kreeg ze tijdens mijn werk in de bibliotheek van Museum Boymans of kocht ze later bij het bezoek aan een museum. Eigenlijk geldt daarvoor een beetje hetzelfde als voor de fotoboeken: genieten van de afbeeldingen, ze doorgronden, mijn fantasie erbij gebruiken. Bij het lezen van een roman stelt mijn fantasie me in staat me een voorstelling te maken van hoofdpersonen, de omgeving waarin ze verkeren, de gebeurtenissen die hen overkomen. Bij het bekijken van afbeeldingen van schilderijen, oude foto's of gebruiksvoorwerpen gaat dat precies andersom: ik kan er zo de levens van anderen bij verzinnen. Dat dat net zo aangrijpend kan zijn als een heftig boek lezen, ondervond ik vorige week, toen we een tentoonstelling van Käthe Kollwitz bezochten. Ik heb de bijbehorende catalogus niet gekocht: ik denk niet dat ik de confrontatie met haar beelden nog vaak aan zou kunnen. Als ik de tekeningen wil zien, kan dat ook via internet. Dit voorbeeld dient slechts om aan te geven dat je plaatjes zeker ook kunt lezen, ze zijn soms indringender dan een tekst.

De oude atlassen die ik bezit, zijn niet antiek. Ze zijn van mijn tante geweest (ca. 1935) of dateren van mijn eigen middelbare schoolperiode (rond 1965).Toch vind ik het leuk om er af en toe eens in te kijken. De geschiedenis atlassen bijvoorbeeld of de Bos atlas die met de jaren erg veranderde. Grenzen, grondgebruik, namen van landen (in Afrika bv.) en eilanden (in Indonesië bv.) veranderen. Soms wil ik weten hoe het zat, soms vind ik het gewoon leuk om er in te neuzen. Is dat lezen? Misschien wel, aangezien ik eigenlijk alles wat ik aanschouw en waar ik mijn fantasie bij gebruik, toch echt wel een beetje als lezen zie.

© JannieTr, september 2016.

De leesvraag #50books (KLIK HIER) is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf 2016 doet Hendrik-Jan dat. Vanaf "2016: vraag 2" probeer ik elke week mee te doen.

dinsdag 27 september 2016

David Foenkinos - Charlotte

Zoals nu al een paar jaar organiseert Literasa in de maand september de Ik Lees Frans Maand (KLIK HIER) . Ik vind het leuk om mee te doen en ook eens een vertaalde roman te lezen. Want gelukkig mag dat ook. Hoewel ik best een boek in het Frans zou kunnen lezen, zou ik er waarschijnlijk langer dan een maand over doen en ook niet zo van het verhaal kunnen genieten omdat ik te zeer bezig zou zijn met de Franse tekst. Omdat er zo vlak voor de vakantie geen gelegenheid meer was om een echt boek in de bibliotheek te gaan lenen, heb ik moeten zoeken tussen de beschikbare e-books. En daar vond ik Charlotte van David Foenkinos, dat ik met heel veel plezier gelezen heb.


David Foenkinos (Parijs, 1974) is een Franse schrijver. Hij heeft romans en jeugdboeken gepubliceerd en enkele scenario’s voor toneel en film geschreven. In 2014 won hij de Prix Goncourt des lycéens en de Prix Renaudot voor Charlotte, een roman over het leven van Charlotte Salomon (Berlijn 1917- Auschwitz 1943), een jonge Joods-Duitse kunstenares. Deze roman is in 2015 door Marianne Kaas vertaald.

Wie was Charlotte Salomon?

Als kind van geassimileerde Joodse ouders groeit Charlotte op in Berlijn. Haar vader is arts. Haar moeder pleegt zelfmoord als Charlotte negen is. Haar latere stiefmoeder is een gevierde Joodse zangeres. In september 1936 wordt Salomon toegelaten tot de kunstacademie. Als zij een prijs belooft te winnen, moet ze de kunstacademie verlaten. Hoewel de staf overtuigd is van haar grote talent, durft men het niet aan toe te moeten geven dat ze een Joodse leerlinge op school hebben.
In 1939, na de Kristallnacht, vlucht ze op advies van haar vader en stiefmoeder naar haar grootouders die in Zuid-Frankrijk wonen. Na een depressieve periode geeft haar arts haar het advies weer te gaan schilderen. Zo ontstaat de autobiografische reeks Leben? oder Theater?.

De reeks heeft de vorm van een muziektheaterstuk met akten en scenes, een 'zangspel' noemt Charlotte het werk zelf. De proloog beslaat de tijd van Charlottes jeugd in Berlijn tot 1937. Het hoofddeel gaat over haar grote liefde, de zangpedagoog Alfred Wolfsohn, en zijn verhouding met Charlotte en haar stiefmoeder, de opera-zangeres Paula Salomon-Lindberg. De epiloog behandelt het verblijf van Charlotte in Zuid-Frankrijk van 1939 tot 1942. Het totale werk bestaat uit 1325 gouaches en transparanten. Hiervan zijn er vele door Charlotte zelf afgekeurd en zo ontstond een genummerde serie van ongeveer 800 schilderingen.
Dit omvangrijke expressionistische kunstwerk rondt ze in 1942 af. Ze heeft er twee jaar intensief aan gewerkt en levert daarna alles in een koffer af bij dokter Moridis met de woorden: “Dit is heel mijn leven”. Ze trekt zich terug op het inmiddels door haar grootouders verlaten landgoed en trouwt met Alexander, een Joodse vluchteling uit Oostenrijk. In het Vichy-Frankrijk waren Joden niet veilig. Samen met haar echtgenoot Alexander wordt ze op 24 september 1943 opgepakt en naar Auschwitz getransporteerd waar ze op 10 oktober 1943 wordt vermoord. Zij is op dat ogenblik vier maanden zwanger.

Na de oorlog blijken haar vader en stiefmoeder de oorlog wel overleefd te hebben. Ze ontvangen de koffer met daarin Charlottes kunstwerk van dokter Moridis. Als ze Leven? of Theater? voor het eerst bekijken, zijn ze diep geschokt.
"Ze horen de stem van hun dochtertje. Ze is daar, bij hen. Hun Lotte die ze jarenlang uit het oog waren verloren. Dankzij haar komen de herinneringen weer tot leven. Het is ook heel hun leven. Uren achtereen bekijken ze de tekeningen. Ze zijn personages geworden. Dat is ontegenzeggelijk het bewijs dat ze hebben geleefd."
Maar ze als het werk analyseren, stellen ze: het is Charlottes waarheid, de waarheid van een kunstenaar. Zij herkennen en geloven niet alles. "En daarin ligt de hele schoonheid van Charlottes project besloten. Waar is het leven? Waar is het theater? Wie kan weten wat de waarheid is?" stelt Foenkinos in zijn boek.

Geromantiseerd

Na het bij toeval ontdekken van haar werk raakt Foenkinos zo gefascineerd door Charlotte dat hij besluit een roman over haar leven te schrijven. Zijn uitgangspunt zal haar voornaamste en omvangrijke werk Leben? oder Theater? zijn. Toch zou het nog jaren duren voor hij er klaar voor was, vele pogingen mislukten. Hij vroeg zich af: "Maar hoe? Moest ik erin aanwezig zijn? Moest ik haar verhaal romantiseren? Welke vorm moest ik mijn obsessie geven?" Zo ontdekt hij uiteindelijk dat hij elke zin op een nieuwe regel moest beginnen, vanwege de beklemming die hij voelde tijdens het schrijven, om lucht te krijgen.
Tijdens een rondreis door Europa bezoekt hij alle plekken waar zich voor Charlotte belangrijke gebeurtenissen hebben afgespeeld. En ook al is hij niet overal welkom, het beeld dat hij van haar heeft, wordt steeds verder ingevuld. En zijn voorstellingsvermogen bepaalt uiteindelijk hoe de lezer Charlotte zal zien in de roman die hij gaat schrijven.

Foenkinos heeft zijn boek beslist gebaseerd op feiten: de familiegeschiedenis (met wel erg veel zelfmoorden), de autobiografische teksten die ze in het kunstwerk heeft verwerkt, brieven, archiefstukken. Maar wat hij daarnaast doet, maakt het tot een literair hoogstandje. Het perspectief in dit aangrijpende verhaal ligt volledig bij degene die haar spoor volgt van Berlijn via Frankrijk naar Auschwitz. We mogen gerust stellen dat het om de schrijver zelf gaat. Je zou de roman van David Foenkinos het verslag van een bedevaartstocht kunnen noemen. Hij probeert zich voortdurend voor te stellen hoe Charlotte (maar ook andere belangrijke personen in haar leven) zich gevoeld moeten hebben bij wat hen overkwam. Dat vertaalt hij naar gesprekken, gedachten, gevoelens. En al blijft het duidelijk dat de feiten ingekleurd worden met vermoedelijke emoties, de schrijfstijl maakt dat het niet moeilijk is om je in te leven in de hoofdpersonen. En daarmee wordt het een heel beklemmend verhaal. Je kent de afloop, voelt de dreiging, de angsten, de wanhoop van een jonge verliefde vrouw die moet kiezen tussen veiligheid en bij haar grote liefde zijn. Maar die, eenmaal in (relatieve) veiligheid, depressief dreigt te worden. Gevaarlijk in een familie die grossiert in zelfmoorden. Zag de dokter dat? Zette hij haar daarom aan tot tekenen en schilderen en indirect tot het maken van het grandioze werkstuk dat ze uiteindelijk afleverde?

Er is nog veel onduidelijk over het leven Charlotte Salomon. Net zo min als Leven? Of Theater? als het ware autobiografische verhaal beschouwd mag worden, is dat het geval met Foenkinos roman. Het is een zeer verdienstelijk eerbetoon geworden aan een bijzondere kunstenares, waarin de spanning tussen Leven? Of Theater? volledig tot recht komt. Letterlijk.

Leven? of Theater? wordt nog steeds tentoongesteld, er is een allesomvattend boek van verschenen en het kan bekeken worden via de site van het Joods Museum (KLIK HIER).

David Foenkinos - Charlotte. Amsterdam, Cossee, 2015. Paperback, 224 pg., isbn: 9789059366138

©JannieTr, september 2016.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles (KLIK HIER)

zondag 25 september 2016

Ongelezen boeken in de kast

Er zijn al heel wat confronterende vragen gesteld door Hendrik-Jan in de serie #50books dit jaar. Dat geldt ook zeker voor vraag 38: Hoeveel van de boeken in je boekenkast heb je eigenlijk gelezen? (KLIK HIER). Daarbij gaat hij uit van romans. Ik zou dat nog verder willen beperken tot boeken van mijzelf, want zoals lezers van dit blog wel weten: ik heb ook nog eens erg veel boeken van mijn grootouders en ouders op zolder staan.

Om het antwoord kan ik niet heen: dat zijn er erg veel. De meest recente boeken (afgelopen 10 jaar) staan in een aparte kast in de huiskamer en heb ik voor het overgrote deel gelezen. Bewust gekocht of opgevraagd bij de uitgeverij omdat ik ze lezen wilde. Ongevraagd toegezonden boeken die me niet aanspreken geef ik gelijk weg aan wie er belangstelling voor heeft of breng ik naar een boekenmarkt voor het goede doel.

In een andere kast op de beneden verdieping staan heel veel romans die ik kocht op boekenmarkten met het idee dat ik ze ooit nog eens ging lezen. Het gaat om wat oudere Nederlandse literatuur. Ik denk dat ik daar de helft nog niet van gelezen heb. Er komen zoveel mooie nieuwe boeken uit, dat ik er maar heel zelden een van uitkies om te lezen. Daarom ga ik niet meer naar boekenmarkten of kringloopwinkels. Het is te verleidelijk om er weer een aantal mee naar huis te nemen.

Op de Frederik Müller Acacdemie in Amsterdam (waar destijds de bibliotheekopleiding was) kreeg ik les van Kees Fens. Voor wie die naam niets zegt: Kees Fens was literatuurcriticus en schreef boekbesprekingen voor de Volkskrant en columns voor De Tijd. In een van die columns stipte hij eens aan hoe onverzadigbaar hij zijn hele leven boeken had verzameld. Met daarbij wat hij zich op elke leeftijd wijsmaakte om de aankopen en het uitdijen van de collectie te verdedigen. Uiteindelijk zou er een tijd aanbreken waarin hij ze allemaal kon lezen. Om tenslotte te constateren dat hij inmiddels de leeftijd bereikt had waarop duidelijk werd dat dat nooit meer zou lukken.
Ik heb de column destijds uitgeknipt en bewaard, omdat hij mij als 40-jarige toen al aansprak. Ik voorzag mijn toekomst, want inmiddels ben ik ook zo ver, dat het niet logisch is er nog langer van uit te gaan dat ik mijn hele verzameling zal kunnen lezen. Los van het feit, dat ik er ook eigenlijk geen behoefte meer aan heb. Ik moet ze maar eens los gaan laten. Heb ik ooit de behoefte een van die klassiekers (want daar gaat het meestal om) toch nog te lezen, dan zijn er bibliotheken die mij een exemplaar kunnen bezorgen.

Helaas heb ik de uitgeknipte column zo goed opgeborgen, dat ik hem niet meer kan vinden. Mocht er iemand zijn die weet hoe ik aan de tekst ervan kan komen, dan zou ik dat graag horen. Ik wil hem best nog wel eens lezen. Ter inspiratie bij het opruimen......

© JannieTr, september 2016.

De leesvraag #50books (KLIK HIER) is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf 2016 doet Hendrik-Jan dat. Vanaf "2016: vraag 2" probeer ik elke week mee te doen.

vrijdag 16 september 2016

Ellen Deckwitz - Olijven moet je leren lezen

Verfrissende kijk op moderne gedichten

Ellen Deckwitz (Deventer, 20 mei 1982) is een Nederlandse dichter, schrijver en columnist. Ze schrijft onder meer voor NRC Next en NRC Handelsblad. In 2011 won ze met De steen vreest mij de C. Buddingh' prijs voor het beste poëziedebuut. Daarna volgden de dichtbundels Hoi feest (2012) en De blanke gave (2015). Haar werk verschijnt daarnaast in verschillende literaire tijdschriften en bloemlezingen en is voor een deel vertaald en gepubliceerd in het Duits, Zweeds, Engels, Arabisch, Mongools, Chinees en Frans. Ze draagt haar poëzie voor in binnen- en buitenland.

Genieten van poëzie

Deckwitz geeft regelmatig lezingen en workshops over literatuurgeschiedenis en schrijven. Ook in boekvorm draagt ze haar liefde voor de dichtkunst enthousiast uit. In 2015 verscheen Zo word je een geweldige dichter handboek voor de beginnende dichter. En in 2016 verscheen Olijven moet je leren lezen, een cursus genieten van poëzie. Het is een uitgebreide versie van deels eerder verschenen columns onder de noemer Dichten met Deckwitz in NRC Next.

In de inleiding merkt ze op dat er in Nederland veel meer gedichten geschreven worden dan gelezen. Amateurpodia, websites om gedichten te delen en de Turing Gedichtenwedstrijd (die jaarlijks meer dan tienduizend inzendingen ontvangt) bewijzen dat er een grote groep schrijvers is, maar de bedroevende verkoop van dichtbundels wijst erop dat ze nauwelijks gekocht en gelezen worden.

Ze wijdt die discrepantie niet aan onwil, maar aan onkunde: in het huidige literatuuronderwijs is er te weinig ruimte om leerlingen vertrouwd te maken met poëzie. En voor de overige potentiële poëzielezers geldt, dat ze geneigd zijn zich te beperken tot wat ze al een beetje kunnen en kennen. En poëzie hoort daar vaak niet bij, vooral geen moderne poëzie. Dat is jammer, vindt ze. Want wie er een beetje moeite voor wil doen, zal veel moois kunnen ontdekken. Of niet, maar dan heeft men het in elk geval met behulp van dit boek een eerlijke kans gegeven.

Vraag en antwoord

Olijven moet je leren lezen is verdeeld in 23 korte hoofdstukken die allemaal een vraag als titel hebben: vragen die Deckwitz tijdens haar lessen tegenkwam. Is vertaalde poëzie de moeite waard? Waarom rijmen er tegenwoordig zo weinig gedichten? Wat is het nut van poëzie? Is er poëzie die over de actualiteit gaat? Elk hoofdstuk wordt vooraf gegaan door een gedicht. Ze beantwoordt de vraag in klare taal, vaak met humorvolle vergelijkingen en verwijzingen naar het betreffende gedicht. Het stukje eindigt met een kader waarin tips voor verder lezen staan: bundels van de besproken dichter en anderen.
Een van de beste tips is naar mijn idee een bloemlezing aan te schaffen/lenen en te proberen daarin te ontdekken welke dichters je het meest aanspreken.

Emily Dickinson

De meeste besproken gedichten zijn van na 2000. Maar als ze de vraag beantwoordt: wie is de Vincent van Gogh van de dichtkunst? brengt ze Emily Dickinson (1830-1886) ter sprake. Een Amerikaanse dichteres die haar tijd ver vooruit was en met de vorm en inhoud van haar gedichten aan het begin van de modernisering van de poëzie heeft gestaan. En net als Van Gogh daar in haar leven nooit waardering voor heeft gekregen. Een mooi voorbeeld dat aangeeft, dat het logisch is dat ook de dichtkunst, net als de beeldende kunst, een ontwikkeling doormaakt. Daarvoor open willen staan kan een ander perspectief op de dichtkunst geven.

Jongeren

Binnen twee maanden is inmiddels de derde druk verschenen van Olijven moet je leren lezen. De schrijfstijl ervan is duidelijk op jongeren gericht, ook de voorbeelden en vergelijkingen zullen een oudere generatie soms ontgaan. Maar ik kan me niet voorstellen dat er zoveel exemplaren uitsluitend door jongeren en studenten zijn gekocht. Mijn vermoeden is dat vooral de generatie, die opgegroeid is met degelijk maar ouderwets poëzieonderwijs, blij is met dit boek. Met deze verfrissende kijk op moderne gedichten en hoe daarmee om te gaan, biedt het nieuwe mogelijkheden. Het zou mij niet verbazen als er bij leesclubs binnenkort minstens eenmaal per jaar een dichtbundel op de leeslijst komt te staan. En daar kan dit naslagwerk goede diensten bij bewijzen.

Ellen Deckwitz – Olijven moet je leren lezen. Amsterdam, Atlas Contact, 2016. Paperback, 160 pg., met lit opg. ISBN 978-90-450-3134-7. € 17,99.

@Jannie Tr, sept. 2016.

Deze recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles

Ik lees Nederlands 33/35.

donderdag 8 september 2016

Een leesgids: gebruik je die weleens?

Hoewel het vakantie is, wil ik vraag 36 van #50books toch niet overslaan, al is het antwoord misschien wat beperkt, omdat ik nu niet in de buurt ben van mijn boeken. De vraag van Hendrik-Jan luidt: Lees jij leesgidsen of boeken over boeken? Laat jij je erdoor beïnvloeden of geloof je het wel? (KLIK HIER)

Ik ben er niet helemaal zeker van of ik hem goed begrijp. Als ik een leesgids opvat als een boek dat je aanwijzingen of tips geeft om bepaalde boeken te gaan lezen, dan heb ik er wel een paar in mijn kast staan. Zo kocht ik vorig jaar Wim Brands: Nederlandse literatuur van de 21ste eeuw. Ik beschouw dat als een gids omdat hij daarin, via korte fragmenten, je een blik gunt op het werk van (meest) jonge auteurs. Met achterin niet alleen de vermelding waar het fragment vandaan komt, maar ook een overzicht van het overige werk van de auteur geeft. Van dit soort boeken heb ik er nog wel meer en ik laat me er zeker door beïnvloeden om het werk van mij nog onbekende schrijvers nader te leren kennen.

Maar misschien bedoelt hij iets anders. Het boek van Brands is dan meer een bloemlezing, terwijl er natuurlijk ook nog gidsen bestaan die op een andere manier naar boeken kijken, verwantschap in thema's over de culturele grenzen heen bv. Of boeken die verband met elkaar houden omdat de schrijvers ervan elkaar beïnvloedden. En dan moet ik zeggen, nee die heb ik niet, voor zover ik me kan herinneren.

Toch heb ik onlangs wel een boek gekocht dat onder deze categorie zou kunnen vallen. Het gaat alleen niet over boeken, maar over gedichten en er worden geen boeken, maar dichtbundels in aangeraden (al zijn dat natuurlijk ook boeken). Je raadt het misschien al. Het gaat over Olijven moet je leren lezen, een cursus genieten van poëzie van Ellen Deckwitz.

Binnen twee maanden is inmiddels de derde druk verschenen van Olijven moet je leren lezen. De schrijfstijl ervan is duidelijk op jongeren gericht. Maar ik kan me niet voorstellen dat er zoveel exemplaren uitsluitend door jongeren en studenten zijn gekocht. Mijn vermoeden is dat vooral de generatie die opgegroeid is met degelijk maar ouderwets poëzieonderwijs, blij is met dit boek. Met deze verfrissende kijk op moderne gedichten en hoe daarmee om te gaan, biedt het nieuwe mogelijkheden. Het zou mij niet verbazen als er bij leesclubs binnenkort minstens eenmaal per jaar een dichtbundel op de leeslijst komt te staan. En daar kan deze gids goed bij van pas komen.

(Ik heb voor De Leesclub Van Alles een recensie geschreven over dit boek. Die kun je HIER lezen. Over een poosje zal ik hem iets aangepast ook op dit blog zetten).

© JannieTr, september 2016

woensdag 31 augustus 2016

Over het uitlenen van boeken

Omdat ik erg nieuwsgierig ben hoe andere boekenliefhebbers dat oplossen, vroeg ik Hendrik-Jan of hij misschien een keer iets wilde vragen over het uitlenen van boeken. Dat leek hem wel wat, dus werd vraag 35 Leen jij weleens je boeken uit? (KLIK HIER)

Bij mij hangt het af van de persoon, het boek of de combinatie van die twee.

- Sommige boeken zijn mij om de een of andere reden zo dierbaar, dat ik ze niet graag uitleen. Ze zouden beschadigd kunnen worden of, nog erger, zoek kunnen raken. Ik vermoed dat veel boekenliefhebbers dat zullen herkennen.

- Bij de overige boeken is het meer de persoon die een belangrijke rol speelt: is hij oprecht geïnteresseerd in een bepaalde titel, dan ben bereid om zelfs mijn favoriete boeken uit te lenen. Familieleden en goede vrienden kunnen nog gemakkelijker een beroep op me doen. Daarnaast zijn er ook genoeg boeken waar ik niet zo aan gehecht ben: die mag iedereen lenen.

- Maar dan het terugkrijgen/-vragen. Dat is een verhaal apart. Om te beginnen schrijf ik in elk boek op het schutblad met potlood mijn naam. Dan weet de lener in elk geval van wie hij het geleend heeft. Als het boek eenmaal in een boekenkast of op een stapel terecht gekomen is, is dat niet voldoende uiteraard.

-Ik heb diverse pogingen ondernomen om er een uitleenadministratie op papier van bij te houden, om die vervolgens kwijt te raken of domweg te vergeten die goed bij te houden. Van mijn boekhandelaar kreeg ik eens een handig blokje: van elk kaartje scheurde je de helft af, deed dat met je naam erop in het boek als bladwijzer en de andere helft bleef in het blokje zitten met de naam van de lener en de titel van het boek. Ik had er hier graag een foto van bij gezet, maar....dat blokje ben ik dus ook kwijt. Nu zou dat gemakkelijker kunnen met een app of zo, maar ik heb de moed al opgegeven.

-Een boek waaraan ik gehecht ben, mis ik heus wel na bepaalde tijd en dan weet ik drommels goed wie het heeft: meestal een goede vriendin of een familielid. Dan is terugvragen geen enkel probleem en al moeten ze soms even zoeken, het komt altijd weer terug. Met dat vertrouwen leen ik het ook aan hen uit. En als ik een boek niet mis, dan is het maar goed dat iemand anders er nu plezier van heeft.

Misschien is dàt wel een manier om mijn boekenvoorraad in te krimpen: geregeld een stapeltje boeken uitzoeken om "uit te lenen" en ze dan naar de Boekenmarkt voor het Goede Doel brengen en ze niet meer terugvragen! 

Zo komt er uit elke vraag wel weer een onverwachte conclusie voor mij. Bijna therapeutisch deze #50books vragen.....

© JannieTr, augustus 2016.

De leesvraag #50books (KLIK HIER) is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf 2016 doet Hendrik-Jan dat. Vanaf "2016: vraag 2" probeer ik elke week mee te doen.

zondag 28 augustus 2016

Koos van Zomeren - Een jaar in scherven

Onlangs verscheen in de Serie Privédomein Jasper en zijn knecht, geschreven door Gerbrand Bakker (KLIK HIER). Ik had wel van de serie gehoord, maar er eigenlijk nooit iets uit gelezen. Nu was het me al eerder opgevallen dat G.B. in zijn artikelen en op zijn weblog, maar ook soms in interviews, over Koos van Zomeren sprak alsof er een verwantschap bestond tussen die twee. Op een enkel vlak herkende ik die ook wel, maar toen ik ontdekte dat ook Koos van Zomeren voor het Privédomein geschreven heeft, besloot ik daar eens dieper op in te gaan. En dus kocht ik een (tweedehands) pocket uitgave van Een jaar in scherven (naar Privédomein nr. 150). Om daarbij meer overeenkomsten te ontdekken, dan ik voor mogelijk had gehouden.

Samenvatting

Wie zijn wij? Hoe zijn wij geworden wie we zijn? Met grimmige opgewektheid, speels en ernstig tegelijk, zet Koos van Zomeren boek na boek op stapel in de hoop iets omtrent dit soort raadsels duidelijk te maken. In Een jaar in scherven leidt dit proces van onderzoek en zelfonderzoek tot een nieuw hoogtepunt in zijn werk. Het boek bevat het journaal dat Van Zomeren in 1987 heeft bijgehouden, gelardeerd met talloze extra's: autobiografische verhalen, herinneringen, natuurreportages, rechtbankverslagen en interviews met Van Zomerens vader en met zijn voormalige kameraden uit de Socialistiese Partij. Het geheel biedt meer dan een dagboek. Het is een imposant mozaïek, waarin de grote en kleine dingen van alledag voortdurend overvloeien in droomprotocollen en herinneringen die de kernen van Van Zomerens leven en schrijverschap steeds nauwer omcirkelen. Daarbij is hij weer in vele gedaanten aanwezig: als natuurliefhebber, als milde spotter en wrevelige moralist, als lyricus en als voortreffelijk aforist. (Arbeiderspers).

Leeservaring

Koos van Zomeren schreef zijn dagboek voor deze reeks in 1987. Hij worstelde op dat moment met de gedachte het journalistieke werk definitief de rug toe te keren en zich op het schrijven van verhalen en romans te concentreren. Om daarvan te kunnen leven is het wel noodzakelijk succes te hebben. Net als G.B. heeft hij niet veel op met het literaire wereldje, maakt zich boos over domme recensenten en interviewers, heeft slapeloze nachten vlak voor de presentatie van een nieuw boek en zit als genomineerde in spanning te wachten op de uitslag van een literaire prijs. Ook het filosoferen over wanneer je een echte schrijver bent en of je dat ook nog bent als je in opdracht schrijft en waar je de onderwerpen vandaan moet halen, hebben ze gemeen. Of G.B. daar al helemaal uit is, weet ik niet, maar K. van Z. is inmiddels al jaren zo'n succesvol schrijver dat ik aanneem dat hij daarover zelf geen twijfels meer heeft.

Dan zijn er de honden: in dit boek is er voor Rekel een bijrol. Later krijgen zowel Rekel als Stanley een eigen boek. Jasper heeft wel een duidelijke rol in het dagboek van G.B. Het zou me dan ook niet verbazen dat, als er ooit een andere hond in zijn leven komt, deze de hoofdrol krijgt in een nieuw boek. De natuur speelt voor natuurbeschermer Koos en hovenier Gerbrand uiteraard ook een rol in beider dagboeken. G.B. haalt Het verlangen naar hazelworm aan, als hij zelf hazelwormen in zijn Eifeltuin ontdekt!
Waarschijnlijk moeten we de jeugdherinneringen aan familie en het opgroeien in een bepaalde omgeving wel als kenmerkend beschouwen voor een dergelijk dagboek. Niet uitzonderlijk dus.

Maar terwijl K. van Z. ons deelgenoot maakt van de dagelijkse gebeurtenissen in zijn privéleven en van wat hem zoal opvalt in de natuur tijdens zijn wandelingen of gesprekken met deskundigen, speelt er nog iets anders. Aanvankelijk op de achtergrond. Net als bij G.B. blijkt het boek veel meer geworden te zijn dan louter een dagboek. Beiden hebben getracht iets belangrijks uit hun leven nader te beschouwen, om het beter te kunnen begrijpen. En daarvoor moesten ze diep graven in hun herinneringen. En in het geval van K.v.Z.: zijn oude kameraden opzoeken.

Al op 12 januari: "Gisteravond in de auto over de partij zitten piekeren. Hoe paste het besluit communist te worden in mijn leven?" Het zou de rode draad worden in het dagboek. Ondanks alle andere zaken die hij vasthoudend uitzoekt over het familieleven en over het Herwijnen van vroeger, keert de Socialistiese Partij (zoals ze toen heette) terug in zijn overpeinzingen. Waarom werd hij lid, waarom besloot hij uiteindelijk ermee te stoppen, wat is er daartussen allemaal gebeurd en hoe is het zijn toenmalige partijgenoten en vrienden vergaan? Heeft hij mensen teleurgesteld? Had hij dingen anders moeten doen? Hij bezoekt zijn oude kameraden onder het mom van een interview voor een artikel. Het zet de zaken voor hem op een rij. Hij wil het afsluiten.

19 februari: "Ons links was zo absurd dat de enige manier om er mee te breken een radicale was. Links of rechts is dan naar mijn idee het probleem niet. Het probleem is iets te vinden dat het leven de moeite waard maakt. Schrijven dus. Uit wanhoop, chaos, gemeenheid, leugens en narigheid iets moois creëren." Lijkt dat niet veel op de depressieve wanhoop van G.B., die stelde juist dan te gaan schrijven om een moeilijke periode het hoofd te kunnen bieden?

Het dagboek wordt geregeld onderbroken met korte teksten zoals die uiteindelijk elders gepubliceerd zijn en waarvan we de aanloop er naar toe in de dagboeken hebben meegemaakt. Dat is een goede vondst. Het beviel mij wel om te zien hoe zoiets (ongeveer) tot stand komt. Zo gebeurt het ook met het artikel dat hij uiteindelijk schrijft over zijn verhouding met de Partij onder de titel Voorwaarts.

K. van Z. is van mijn generatie en dus kan ik me veel van de beschreven gebeurtenissen herinneren. Herkenning maakt lezen prettiger. Maar ik heb minstens zoveel genoten van zijn natuurbeschrijvingen en zijn nuchtere, maar o zo rake opmerkingen:
"Je hoort tegenwoordig klagen dat mét de kerk, allerlei, op zichzelf toch mooi, ritueel is afgeschaft. En inderdaad, een stijlvolle uitvaart maak je nog maar zelden mee. Maar zwijgend te moeten aanhoren hoe Atje (een geliefd familielid, red.) naar de hel verwezen werd, dat was ook niet wat je je voorstelt bij een  passende plechtigheid."

Op bezoek in Friesland, waar een otter is gesignaleerd, de laatste in die omgeving.
"Hoe zou het  zijn om de laatste otter van Eernewoude te zijn? Als een nachtmerrie waarschijnlijk, leven in een wereld na de bom. Eenzaam, zonder twijfel. Op een of ander manier moet ze weten dat haar bestaan zinloos voorbij gaat. Ergens in dat prachtige lijf moet het verlangen sluimeren naar een soortgenoot, een ontmoeting, een opening naar de toekomst.
Uitsterven is wel een erg hevige manier van sterven."

Vooral het feit dat beide schrijvers in hun dagboek op zoek gingen naar een antwoord op iets wat hen al langer bezig hield, vond ik treffend. Verder wil ik hun boeken niet met elkaar vergelijken. Ze hebben een geheel eigen stijl. En een heel ander leven achter de rug, dat ze beiden boeiend beschrijven in hun dagboek, al dan niet tussen de regels door....

Koos van Zomeren - Een jaar in scherven. Amsterdam. De Arbeiderspers, 1994. Tweede druk (van Privé domein 1988). Pb, 352 pg. ISBN:90-295-6017-7

© JannieTr, augustus 2016.

Ik lees Nederlands 32/35.