maandag 16 april 2018

Toon Horsten - Landlopers

200 jaar Maatschappij van Weldadigheid

Tweehonderd jaar geleden, in maart 1818, richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.

De nieuw opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf 6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder. En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging. 

Werelderfgoed van Unesco? 

De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar in o.a. Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord (vrije landbouwkoloniën) en Veenhuizen (strafkolonie). Maar ook in de Zuidelijke Nederlanden liet de Maatschappij haar sporen na. In 1821 wordt daar een zusterorganisatie opgericht, in 1822 nemen de eerste gezinnen hun intrek in de vrije landbouwkolonie van Wortel en in 1824 begint de bouw van de onvrije kolonie Merksplas.
In 2011 werd het culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco. Na jarenlange voorbereidingen door alle betrokkenen in Nederland en Vlaanderen zal het Werelderfgoedcomité van Unesco tijdens zijn jaarlijkse vergadering in juli 2018 besluiten of de Koloniën van Weldadigheid de Werelderfgoedstatus krijgen.

Hollandse en Vlaamse koloniën

Over de koloniën in de Noordelijke Nederlanden zijn meerdere boeken geschreven door Wil Schackmann. Ze staan beschreven in Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid elders op deze site. Voor de Zuidelijke Nederlanden is er het standaardwerk van Toon Horsten: Landlopers. In 2017 is daarvan de vijfde, vermeerderde druk verschenen, waarin ook de ontwikkelingen van de laatste jaren zijn opgenomen.

Toon Horsten (die opgroeide in Wortel) kiest ervoor de geschiedenis van de Vlaamse tak van de Maatschappij chronologisch te beschrijven. Hoewel de startpositie in beide landstreken gelijk is, ontstaan al snel na de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden en het uitroepen van de staat België (1830), grote verschillen in de manier waarop men met de "droesem der samenleving" omgaat. In 1842 wordt de zuidelijke afdeling van De Maatschappij ontbonden en in 1870 koopt de Belgische overheid de domeinen van Wortel- en Merksplas-kolonie. In de roerige periode daarna zal blijken dat de opvang en begeleiding van landlopers en daklozen in Vlaanderen en Nederland nogal van elkaar verschillen.

Vlaamse landlopers

Zoals de titel al aangeeft, heeft Horsten zich voornamelijk bezig gehouden met landlopers en bedelaars. In deel 1: Naar het platteland beschrijft hij de periode tussen 1810 en 1945. Wat gebeurde er met bedelaars voor de oprichting van Wortel en Merksplas? Wat was de reden dat de landbouwkolonie Wortel geen succes werd? De boerderijtjes (die in Drenthe nog steeds gekoesterd, beschermd en bewoond worden) zijn in Vlaanderen vrijwel allemaal na 1890 verdwenen. Zowel Wortel als Merksplas veranderen in opvanglocaties voor landlopers en "onaangepasten". 
Maar terwijl de Nederlandse bedelaarskolonie Veenhuizen  failliet gaat, weten de Vlaamse koloniën de bezigheden voor de opgesloten landlopers op industriële wijze te organiseren, zodat de instellingen zichzelf kunnen bedruipen. Ook de kleinschalige landbouw verandert: grote, professioneel geleide  boerderijen bieden de daarvoor geschikte landlopers werk. De politieke besluitvorming rond de opvang komt aan bod, net als de criminele antropologie die haar kans grijpt. De Eerste en Tweede Wereldoorlog zorgen voor extra problemen. Pas na 1945 komt er enige lijn in de opvang en begeleiding van de landlopers. 

Terwijl in de meeste Europese landen landloperij uit het wetboek van strafrecht wordt gehaald, zou dat in Vlaanderen nog tot 1993 duren. In deel 2: Zeemanslevens (1946-1993) komen zowel enkele landlopers als bewakers aan het woord. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is beslist niet negatief. Voor de meesten gedetineerden voelen Merksplas en Wortel als thuis. De landlopers melden zich zelf aan als hun geld op is, als de winter eraan komt of als ze het buiten de kolonie niet meer zien zitten. Het zijn vaste gasten, geen lastige over het algemeen, met vaardigheden die in de kolonie op waarde worden geschat. Maar met een achtergrond die opvang noodzakelijk maakt. Ze werken tot ze genoeg verdiend hebben om weer even de bloemetjes buiten de zetten en keren dan terug naar de structuur en verzorging van de kolonie. Iedereen voelt zich er goed bij, het functioneert zonder problemen. Tot die rampzalige dag in 1993.

Deel 3 heeft als titel: Paradijs voor futlozen (1993-2013). Niemand heeft de landlopers of zelfs de directie van de kolonies gewaarschuwd. Bij toeval leest een van de bewakers in een rondslingerende Staatscourant dat de wet op de landloperij is afgeschaft en dat landlopers niet meer opgesloten mogen worden. Er ontstaat binnen de instellingen grote paniek: waar moeten deze kwetsbare mensen nu heen? Het is verbijsterend welke kunstgrepen de directies van de instellingen en de bewakers allemaal toegepast hebben om er voor te zorgen dat vrijwel iedereen, na verloop van jaren soms, weer een veilig plekje kreeg. Voor de alleroudste werd een speciale regeling getroffen: zij mochten in een aparte vleugel hun oude dag doorbrengen. Dré van Wellen was de laatste landloper die begraven werd op de bedelaarsbegraafplaats van Merksplas op 9 juni 2012.

Uiteindelijk zijn er weer overeenkomsten tussen Merksplas en Veenhuizen. Nieuwe gevangenissen verrezen voor echte delinquenten. Maar de geschiedenis wordt niet vergeten. In de voormalige boerderij van Merksplaskolonie is een bezoekerscentrum ingericht. In het hoofdgebouw van Veenhuizen is het gevangenismuseum. In de voormalige Tuinbouwschool in Frederiksoord wordt nog dit jaar het vernieuwde museum voor de landbouwkoloniën van Drenthe geopend.

Nog meer lezen?

Geïnspireerd door dit boek schreef Louis van Dievel zijn roman Landlopersblues (KLIK HIER), waarin hij zogenaamd enkele landlopers aan het woord laat die begraven liggen op het bedelaarskerkhof van Merksplas. Over de geschiedenis van Veenhuizen is onlangs een boek verschenen van Jan Libbega onder te titel: 'Paupers en Boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen' (KLIK HIER).

Het komt allemaal mooi samen: 200 jaar Maatschappij van Weldadigheid en 25 jaar na de afschaffing van de wet op de landloperij in Wortel- en Merksplas-kolonie. De geschiedenis is goed beschreven, er zijn bezoekerscentra en musea, er bestaan nog veel monumenten. Zelfs de Stichting Maatschappij van Weldadigheid bestaat nog (KLIK HIER). En dan in juli misschien de toekenning van de Unesco Werelderfgoed status. Dat zou mooi zijn.

Tijd om deze voor velen verborgen geschiedenis te gaan ontdekken!

Toon Horsten - Landlopers. Antwerpen, Davidsfonds, 2017. Geb., 318 pg., met zwart-wit foto's en lit. opg. ISBN:978-90-5908-901-3.

© Jannie Trouwborst, april 2018.

vrijdag 30 maart 2018

Gerbrand Bakker - Rotgrond bestaat niet

Toen Gerbrand Bakker in 2006 zijn debuut voor volwassenen Boven is het stil publiceerde, kon niemand, ook hijzelf niet, vermoeden dat deze internationale bestseller hem door o.a de prestigieuze International IMPAC Dublin Literary Award, vertalingen in meer dan 30 talen, verfilming, en inmiddels al de 25ste druk in Nederland, de mogelijkheid zou bieden om een huis in de Eifel te kopen, met een grote tuin er omheen en een stuk bos. Inmiddels woont hij er vijf jaar en is hij ook al vijf jaar bezig met de verbouwing van zijn huis en de aanleg van zijn tuin. Via zijn columns in  De Groene Amsterdammer, Trouw en Onze eigen tuin was daar geregeld iets over te lezen. Ook in zijn weblog Dingetjes enzo houdt hij nog steeds zijn lezers op de hoogte van zijn bezigheden.

Vóór zijn verhuizing naar de Eifel verschijnen nog enkele mooie romans: Perenbomen bloeien wit (2007), Juni (2009) en De Omweg (2010). Daarnaast nog de nodige non-fictie. In het nieuwe huis richt hij een aparte schrijfkamer in. Toch laat een nieuwe roman op zich wachten. Niet dat er niet geschreven wordt: uiteraard  de columns en artikelen, non-fictie boeken. Maar een overvolle agenda met lezingen en boekpresentaties in het buitenland is niet bevorderlijk voor het je rustig bezinnen op een nieuwe roman. Druk van buiten werkt averechts op de creativiteit van menig schrijver. Bakker stort zich op zijn huis en Eifeltuin en krijgt gezelschap van Jasper, een Griekse zwerfhond. En al heeft Jasper zo zijn eigenaardigheden, Bakker is dol op hem. En eindelijk kan hij zich er toe zetten weer te gaan schrijven, een autobiografie dit keer, in dagboekvorm, met daarin ook een belangrijke rol voor Jasper.
Voorjaar 2016 verschijnt Jasper en zijn knecht . Met een trieste epiloog: Jasper is vlak na voltooiing van het boek binnen korte tijd aan een onduidelijke ziekte overleden. Bakker mist hem nog steeds. Maar toch is het juist Jasper die hem over een drempel heeft geholpen. In het dagboek staan niet alleen de dagelijkse avonturen met Jasper. Hij haalt ook herinneringen op en maakt korte metten met frustraties en ergernissen van vroeger. Dankzij deze dagelijkse schrijfroutine ligt er nu weer een boek dat er wezen mag, ondanks zijn drukke overige bezigheden.

Combineer een schrijvende hovenier met een tuin in de Eifel, met het thema Natuur van de boekenweek en je komt vanzelf bij Bakker uit. Rotgrond bestaat niet: over cultuurlandschap en natuur luidt de titel van een bundel met stukjes van twee tot ruim tien pagina's over de meest uiteenlopende onderwerpen. In een enkele wordt verwezen naar een column of artikel dat eerder elders verscheen, maar de rest is speciaal voor dit boek geschreven. En hoe! Vol zelfvertrouwen en met de nodige humor kiest hij zowel voor serieuze onderwerpen, als doodnuchtere constateringen die sommige lezers wellicht op de kast jagen. Mopperen doet hij ook graag, maar de ondertoon is altijd lichtvoetig. Alleen als het over Jasper gaat of over andere honden, die bij hem komen logeren, wint de gevoeligheid het en de weemoed.
Zelden gebeurt het mij dat ik een non-fictieboek moeilijk kan wegleggen, maar dit is zo afwisselend en boeiend geschreven, dat je door blijft lezen. Met verrassende waarnemingen en constateringen. Over de maakbaarheid van natuur, de zin en onzin van het bestrijden van exoten, over de schoonheid van cultuurlandschap, over een tuin vol herinneringen, wandeltochten in Wales en vakantie in Griekenland met rotgrond, of toch niet? Filosofische doordenkertjes en gewetensvragen houden de lezer bij de les.

Hij sluit af met De laatste tuindag. De winter komt er aan. Er zijn nog wat karweitjes in zijn Eifeltuin te doen. Als alles klaar is, trekt hij zijn wandelschoenen aan en maakt een lange wandeling rondom het dorp. Ook zonder hond kun je wandelen, ontdekt hij en dan zie je weer heel andere dingen. In de schemering keert hij terug.

"Ik zit in de schrijfkamer. Kijk naar de enorme beuken aan de overkant van de weg. Geen enkel blad meer aan de bomen, in de winter is de wereld veel groter. Het steile weitje is wit. Sneeuw. Stilte. Winter. Tijd deze tekst af te sluiten. Tijd voor fictie."

"Gerbrand Bakker is een rasschrijver" volgens Trouw. Klopt helemaal. En met die fictie komt het ook wel goed.

Gerbrand Bakker - Rotgrond bestaat niet: over cultuurlandschap en natuur. Amsterdam, Cossee, 2018. Pb., 205 pg., ISBN:978-90-5936-799-9.

© Jannie Trouwborst, maart 2018.

zaterdag 17 maart 2018

Joke J. Hermsen - Rivieren keren nooit terug

Joke Hermsen is schrijfster en filosofe. Beide disciplines beoefent ze, niet alleen los van elkaar, maar ook als elkaar versterkende elementen, in haar romans en essays. Haar vlotte pen maken essays als Windstilte van de ziel (KLIK HIER) en Melancholie van de onrust prettig leesbaar, ook voor lezers zonder een gedegen filosofische opleiding. In haar romans voegt ze daar nog een behoorlijke portie psychologie aan toe zoals in De liefde dus en Blindgangers (KLIK HIER). Ook in Rivieren keren nooit terug vinden we deze kenmerkende elementen uit de andere romans terug.


Ella Theisseling heeft grote moeite de dood van haar vader te verwerken. Het lukt haar niet te rouwen. Komt het doordat ze niet bij zijn sterven aanwezig was, is het de houding van haar moeder, of zijn het de tegenstrijdige gevoelens ten aanzien van hem?  Waarom zijn haar herinneringen aan hem en aan haar jeugd, zo verwarrend? Welke rol hebben ze gespeeld in haar verdere leven? En hoe moet ze nu verder? Om dat te ontdekken besluit ze er een poosje tussenuit te gaan. Ze gaat terug naar een plek waar ze goede herinneringen aan bewaart: naar de oevers van rivier de Gard in de Midi, waar de familie jarenlang de zomervakantie doorbracht en ze haar eerste liefde beleefde.

Via Parijs reist ze per auto in een rustig tempo af naar het zuiden. Onderweg koopt ze een schrift, dat ze wil gebruiken als dagboek van de reis. Maar als ze beseft hoe belangrijk de herinneringen zijn die naar boven komen, besluit ze het schrift ook daarvoor te gebruiken. Daartoe draait ze het schrift om en begint met het noteren daarvan achterin. Ze beschouwt het als een symbool van haar zoektocht: ergens in het midden zullen heden en verleden bij elkaar komen. Ook in de structuur van de roman werkt het zo: heden en verleden wisselen elkaar af, waarbij het verleden niet chronologisch gepresenteerd wordt, maar zoals het zich, vaak via associaties, aandient.
De jeugdherinneringen zijn geschreven in de ik-vorm en de tegenwoordige tijd, alsof ze haar nog levendig voor de geest staan. De reis in de zij-vorm en de verleden tijd, waaruit we al symbolisch af mogen leiden, dat ze deze zoektocht achter zich gelaten heeft. Dat ze er gelouterd als een anders mens uit zal komen. En dat de herinneringen altijd een onderdeel van haar toekomstige leven zullen zijn.

Voor mij was het eerste hoofdstuk in het eerste van de vijf delen die het boek telt een waar hoogtepunt. Zelden heb ik iets gelezen dat zo goed weergeeft hoe pubers zich voelen en gedragen. Hoe ouder je wordt, hoe moeilijker je daarbij lijkt te kunnen komen. Maar dit was herkenbaar en roept direct je eigen herinneringen naar boven. Het laatste hoofdstuk, waarin Ella de balans opmaakt en de toekomst weer met vertrouwen tegemoet durft te zien, is eveneens een hoogtepunt. Wat niet wil zeggen dat er daar tussenin geen bijzondere stukken voorkomen.

Naast deze hoofdlijn zijn er nog enkele andere draadjes die het verhaal een zekere spanning moeten geven: hoe was het verloop van haar jeugdliefde, ziet ze hem ook nog terug? Bestaat er een verwantschap tussen haar vader en een Franse baron? Heeft hij Russisch bloed? Is ze wellicht familie van een schilder uit die familie waar ze bij toeval op afstudeerde? Of is dat geen toeval? En dan is er nog een ontmoeting met een Spaanse antiquair die op zijn beurt weer een steentje bijdraagt aan haar catharsis.

Ik weet zeker dat lezers met een klassieke scholing op veel intertekstuele verwijzingen zullen stuiten. Ook degenen die hun jaarlijkse vakanties in Frankrijk doorbrengen zullen ongetwijfeld meer genieten van de cultuurhistorische plekken die Ella tijdens haar reis aandoet. Het beeld met de beschadigde Januskop dat ze in een van de plaatsen ziet, herken ik nog wel als symbool voor haar reis. Hoe kun je naar de toekomst kijken, als je het verleden geen plaats kunt geven. Ook mijn kennis van kunstgeschiedenis is beperkt, terwijl ook dat een rol speelt in het verhaal. Naar mijn idee meer als aankleding, dan als symboliek. Maar ook dat kan ik mis hebben.

Toch heb je die kennis niet perse nodig om van de filosofische en psychologische kanten te genieten. En van de schrijfstijl. Mooie meanderende zinnen, waarin natuurschoon, gedachten, herinneringen, indrukken en gevoelens tot uitdrukking worden gebracht. Na de laatste bladzijde overviel me een bepaalde melancholie en de behoefte mijn eigen herinneringen eens te bekijken.
Maar ook om op een filosofische manier naar het fenomeen herinnering te kijken. Wat gebeurt er als je herinneringen opschrijft? Worden het daarmee gestolde waarheden? Terwijl herinneringen toch soms ook veranderen in de loop van een leven. Het leven kan alleen maar achterwaarts worden begrepen, terwijl we het voorwaarts moeten leven (Søren Kierkegaard) ondervindt ook Ella. 
Rivieren keren nooit terug, luidt de titel. En hoewel de rivier niet lijkt te veranderen, is het water dat er nu door stroomt niet hetzelfde als dat van vroeger. Wat wel blijft, is de rivierbodem waarop Ella staat als ze in het laatste hoofdstuk haar conclusies trekt.

"Tijd is stromend water, maar haar herinneringen vormden de bodem, met kleinere en grotere obstakels, stenen, leem en zand, waarlangs het water zijn weg zocht. Elke druppel water die aan haar voorbij raasde, had over de bodem van het verleden geschraapt, over de zachte en de scherp uitstekende stenen en had daar iets losgewoeld en opgenomen zijn stroom, een stukje mos, een korrel zand, en dit alles bepaalde het moment waarin ze zich nu bevond. Ze kon die stenen en obstakels niet wegpoetsen of doen alsof ze niet bestonden. Het water moest erover heen stromen, en er telkens opnieuw zijn gang langs zien te vinden. Dit is het moment, dacht ze, waarop het verleden nog nakolkt, maar de toekomst als een vermoeden, net na de bocht gelegen, al voelbaar wordt."

Joke J. Hermsen - Rivieren keren nooit terug. Amsterdam, Arbeiderspers, 2018. Pb., 262 pg., 978-90-295-0543-7

© Jannie Trouwborst, maart 2018.

zondag 11 maart 2018

Jan Terlouw - Natuurlijk

De Boekenweek 2018 heeft als thema Natuur. Een goed gekozen thema dat tal van invalshoeken kent. Met aan de ene kant de schoonheid en wonderen der natuur en onze beleving van wat ons zo vanzelfsprekend lijkt te omringen en waar we een onlosmakelijk onderdeel van zijn. Maar dat ons ook met neus op de feiten drukt: we leven in een periode die doorslaggevend kan zijn voor het bestaan van menselijk (en ander) leven op aarde.

De catalogus van de boekhandel staat vol met prachtige boeken over het onderwerp. Niet zo'n gek idee om jezelf (of een ander) te verwennen met één van de vele titels. En natuurlijk krijg je dan ook het boekenweekgeschenk cadeau, dit jaar geschreven door Griet Op de Beeck. Ik ben er nog niet in begonnen, maar kijk daar wel naar uit. Eerst wilde ik iets anders lezen.


Zoals elk jaar is er ook dit jaar weer een essay verschenen over het thema. Met als ondertitel: Een ode aan de natuur en een pleidooi voor duurzaamheid, schreef Jan Terlouw het, met als titel: Natuurlijk. Het is een hartstochtelijk pleidooi om de aarde in betere staat achter te laten voor volgende generaties. In 64 pagina's en 6 hoofdstukken legt Jan Terlouw uit hoe we bezig zijn de natuur te overvragen en wat de gevolgen daarvan zijn, niet alleen in de toekomst (als we niets doen) maar ook nu al. Zijn uitleg is helder en zijn voorbeelden aansprekend. Het is een dwingende oproep aan zowel de individuele burger als aan de politiek. Geen belerend vingertje, maar een uiting van zijn grote bezorgdheid om de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.

Laat het maar aan Jan Terlouw over om daar op een prettig leesbare manier over te schrijven. Nog altijd vindt hij Nederland een van de mooiste landen van de wereld. Het groen, het water, de dijken, de jagende wolken, de wisseling der seizoenen, het fascineert hem mateloos. Hij kan er bevlogen over schrijven. Maar hij is ook bezorgd, want de natuur is in gevaar. Het tijdperk van het Antropoceen is aangebroken: het menselijk handelen heeft inmiddels een allesbepalende invloed op de toestand van de aarde. Wat de aarde in 4,5 miljard jaar heeft ontwikkeld, is in de afgelopen eeuw in rapt tempo verwoest. De klimaatverandering is een feit. Het is niet te laat, maar het is wel de hoogste tijd voor drastische maatregelen.
Hij maakt duidelijk dat het een kwestie is van de juiste keuzes maken: technisch en economisch is het heel goed mogelijk om een ommezwaai te maken naar een duurzame wereld: er is overvloed en we kunnen bijna alles. Het echte probleem is politiek en maatschappelijk. De bevolking moet weten wat er aan de hand is en welke gevaren hun nakomelingen bedreigen. Daarvan ligt een eerste verantwoordelijkheid bij de politici. Niet een toekomstige stembusuitslag, maar de veiligheid van de bevolking op lange termijn zou het uitgangspunt moeten zijn bij het nemen van maatregelen. Kiezers informeren en een langetermijnvisie presenteren en daarbij leidend optreden. Daar ontbreekt het tegenwoordig nogal aan.

Hoewel de boodschap serieus is en ons een sombere toekomst voorspelt als er niet snel iets verandert, maakt Terlouw ons ook deelgenoot van zijn vertrouwen in de jeugd. Zij zijn het die nieuwe manieren en kansen zien om deze dreiging aan te pakken en daar enthousiast mee aan de slag gaan. Als er één generatie is die het tij nog kan keren, zijn zij het.

Daarom heeft zeker zin om gelijk met het mooie natuurboek dat je jezelf cadeau doet deze week, ook het essay van Terlouw aan te schaffen, het kost maar € 3,50. En misschien zelfs wel meer exemplaren, om uit te delen aan je kinderen en kleinkinderen. Zodat ze op de hoogte zijn van wat er speelt en wat zij eraan zouden kunnen doen. En aan welke politici zij het vertrouwen willen geven om namens hen de juiste maatregelen te nemen voor het veilig stellen van hun toekomst.

Jan Terlouw - Natuurlijk. Amsterdam, CPNB/De Kring, 2018. Pb., 64 pg. ISBN:978-90-5965-434-1.

© Jannie Trouwborst, maart 2018.

vrijdag 23 februari 2018

Anita Terpstra - Het huis vol

Hoe hebben mijn grootouders dat klaargespeeld, vraagt Anita Terpstra zich af, als ze zelf moeder wordt en zich realiseert dat zowel haar vader, als haar moeder in een wel heel groot gezin opgroeiden. Bij haar vader Sake waren ze met 7 kinderen en bij haar moeder Geertje met zelfs 14. En hoe was het voor de kinderen? Was het gezellig, kregen ze wel voldoende aandacht en welke invloed heeft het gehad op hun volwassen leven? Was er verschil tussen de oudste of de jongste zijn? En hoe gaan ze nu met elkaar om?


Niet alleen de familieband wakkert haar nieuwsgierigheid aan. Het feit dat ze journalist is, is uiteindelijk de reden om te proberen er meer over te weten te komen en er een boek over te schrijven. Daarvoor heeft ze de hulp van haar ouders, tantes en ooms nodig. Bijna allemaal stemmen ze toe en vertrouwen haar hun verhalen toe. Van de 21 werken er 18 mee: haar oudste tante is verstandelijk beperkt, één oom is al overleden en één oom wil niet. Vanwege te pijnlijke herinneringen, vermoedt ze. De anderen zijn openhartig genoeg om haar een indringende blik op het leven in hun grote gezin te gunnen. Anita Terpstra heeft met Het huis vol, een geschiedenis van het naoorlogse grote gezin met behulp daarvan een boeiend verslag geschreven.

In het voorwoord gaat ze in op de dilemma's waarmee ze te maken krijgt. Haar familieleden hebben haar in vertrouwen genomen, maar moet alles wel verteld worden? Er zijn zeker pijnlijke waarheden bij, maar ook onderlinge ruzies en zaken die iedereen zich net even anders herinnert. Gesprekken met vreemden, die ook uit zulke grote gezinnen komen, sterken de journalist in haar, om toch door te zetten, met zoveel mogelijk respect voor alle betrokkenen.

Eerst komt het gezin van haar moeder, de familie Borger aan de beurt. Na een stamboom (die heel handig is bij het lezen) vertelt Anita Terpstra steeds het verhaal van één kind tegelijk, te beginnen met de oudste. Dat blijkt een goede strategie. Elk kind krijgt zo volop de aandacht die er vroeger niet was, zonder de anderen als stoorzender er doorheen. Het maakt het eigen verhaal zuiverder, persoonlijker. En ook vaak anders dan dat van de broers en zussen. Maar erg is dat niet: het gaat om de ervaring, niet om het achterhalen van een gemene deler.

Het tweede deel is voor de familie van vaderszijde, de familie Terpstra. De structuur is hetzelfde. Het verhaal is anders door het vroege overlijden van moeder Aaltje, waardoor vader Dorus alleen voor zijn 7 kinderen moest zien te zorgen.

Tussen de verhalen van de afzonderlijke kinderen staat steeds een informatief hoofdstuk met feitelijke gegevens over een besproken onderwerp, zoals Grote gezinnen en de invloed van de kerk, Het huishoudboekje, Vernoemen, Gezinsverzorgster, Roken, enz. Intermezzo's, die de verhalen aanvullen of juist tonen waar ze afweken van de norm.

De manier waarop Anita Terpstra de verhalen van de broers en zussen vorm gegeven heeft, maakt dat het een prettig leesbaar boek is geworden. Elk verhaal is een combinatie van een korte weergave van de situatie nu en van haar gesprek daarover met de betrokkene enerzijds en een deels gefictioneerde weergave van de anekdotes en herinneringen anderzijds. Deze keuze maakt het mogelijk je in te leven in de gebeurtenissen die de kinderen uiteindelijk gevormd hebben, schrijnende verhalen vaak, die ze niet altijd zo ervoeren destijds, maar die nu vragen oproepen, bij de één meer dan bij de ander. 

"Achter haar klinkt het geluid van fietsbellen en stemmen. Geeske draait zich om en ziet een groepje fietsers naderen. Met haar hand beschermt ze haar ogen tegen de felle zon.
Hé, Geeske ga je mee?
Ze geeft geen antwoord. Ze gaat niet meer naar school. Ze wil graag schooljuf worden, maar ze moet ma helpen. En niet alleen ma. Ze wordt overal naartoe gestuurd om te poetsen. Naar Geertje, of naar haar schoonzus Nienke. 
Ze pakt een handdoek en hangt hem met knijpers aan de lijn. Het wasgoed wappert vrolijk."

Het verschil  tussen de jongsten en de oudsten is duidelijk aanwezig, ook als ze eenmaal volwassen zijn. Ze hebben onderling niet veel contact meer, het grote gezin is in groepjes uiteen gevallen. Het leeftijdsverschil is vaak gewoon te groot. Maar ook karakters spelen mee en de taak die ze in het gezin moesten vervullen.

Het komt allemaal helder naar voren en geeft ongetwijfeld een herkenbaar beeld voor wie opgroeide in een dergelijk groot gezin, dat met moeite de eindjes aan elkaar wist te knopen. Het boek doet een beetje denken aan Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer (KLIK HIER), waarin deze schrijfster het grote katholieke gezin van haar vader aan het woord laat, over hun jeugd en over de manier waarop ze nu gezamenlijk hun moeder verzorgen die na een hersenbloeding niet meer kan spreken. Die verzorging is de rode draad waar de rest van de roman omheen gecomponeerd is.
In het huis vol ontbreekt die rode draad. Of het moest de armoede zijn en de overlevingsdrang die niet alleen de grootouders maar ook de kinderen kenmerkt. Maar het verhaal over deze beide Friese families is minstens zo boeiend geschreven. En niet alleen als herkenning voor kinderen uit vergelijkbare gezinnen.

Anita Terpstra - Het huis vol. Een geschiedenis van het naoorlogse grote gezin. Amsterdam, Hollands Diep, 2018. Pb., 286 pg., ills. ISBN:978-90-488-4254-4.

© Jannie Trouwborst, februari 2018.

maandag 12 februari 2018

Paul Rem - Anna Paulowna, kleurrijke koningin

In de winter van 2016 bezochten we het Spoorwegmuseum in Utrecht. Het leek in niets meer op het saaie museum dat ik ooit als kind met mijn bij de Spoorwegen werkende vader bezocht. Het is getransformeerd in een levendig museum, dat zeker ook bij kinderen in de smaak zal vallen. Een verslag van ons bezoek vind je HIER.

Voor mij was één van de hoogtepunten de luxe treinwagon van Koningin Anna Paulowna, de vrouw van Koning Willem II. We mochten allemaal (zo'n 12 personen) plaatsnemen in het Koninklijke Rijtuig op de met blauw fluweel beklede banken en in de fauteuils. Aan de hand van veel mooi uitvergrote foto's vertelde een vlotte museumgids ons het verhaal van Anna Paulowna en haar rijtuig. Zelfs de kinderen luisterden geboeid en uit de vragen die ze stelden bleek dat ze het goed konden volgen.

Weer thuis probeerde ik meer informatie over deze voor mij redelijk onbekende koningin te vinden. Uiteraard hebben we daar Wikipedia voor, maar ik hoopte op een boek. Die waren er nauwelijks. Wel ontdekte ik dat er gewerkt werd aan een tentoonstelling over haar leven in Paleis Het Loo in het najaar van 2016. Ik besloot daar maar op te wachten.
Maar zoals dat vaker gebeurt terwijl je druk bent met allerlei andere zaken: ik vergat het weer en nu is het te laat: de tentoonstelling is allang afgelopen.

Enkele weken geleden zag ik in de Nieuwsbrief van De Leesclub van Alles de aankondiging van een recensie over het boek Anna Paulowna, een kleurrijke Romanov aan het Nederlandse hof, dat bij deze tentoonstelling geschreven werd door Paul Rem (KLIK HIER). Daaruit bleek dat het niet alleen een mooi uitgegeven boek was, zoals je van Waanders kunt verwachten, met heel veel foto's van de tentoongestelde voorwerpen, maar ook een vlot geschreven verhaal over deze aparte koningin. Die het feit dat ze een telg was van het Russische keizerlijke Huis Romanov belangrijker achtte voor haar aanzien, dan het feit dat ze koningin der Nederlanden was.

Op een heel toegankelijke manier beschrijft Paul Rem haar hele leven. We lezen over de achtergronden van dit huwelijk, over de relatie tussen de echtelieden, het verdriet om het verlies van kinderen en tenslotte ook haar echtgenoot. Maar ook haar exorbitante smaak en hang naar luxe. Het is goed mogelijk je een beeld van deze vorstin te vormen, mede door de grote hoeveelheid brieven die er van haar bewaard zijn gebleven en die Paul Rem hier en daar aanhaalt.

Het is geen complete biografie, ook geen historische roman, maar Anna Paulowna (1795-1865) komt zo toch echt wel een stuk dichterbij. In onze geschiedschrijving bleef ze altijd een beetje in de schaduw. Tijdens haar leven zorgde ze er juist voor dat ze haar glansrol kon spelen. Op haar tijdgenoten maakte ze een onuitwisbare indruk.

Mijn nieuwsgierigheid naar haar persoon is met dit boek voldoende bevredigd. Al sluit ik niet uit, dat als er ooit nog eens een (leesbare) biografie of een historische roman over haar leven verschijnt, ik die ook graag zal lezen. Maar het besef dat Koning Willem Alexander afstamt van een Russische Grootvorstin, daar was ik me eigenlijk nooit zo van bewust. Dat maakt dat biertje met Poetin tijdens de Olympische Spelen ineens een stuk begrijpelijker. Of juist niet?

Paul Rem - Anna Paulowna, een kleurrijke Romanov aan het Nederlandse hof. Zwolle, Waanders - Apeldoorn, Paleis Het Loo, 2016. Uitg. ter gelegenheid van de tentoonstelling Anna Paulowna, kleurrijke koningin. Met lit. opg., reg.. 128 pg, kleurenfoto's. ISBN:978-94-6262-098-8.

© Jannie Trouwborst, februari 2018.

N.B. Het boek is te leen via de bibliotheek.

zaterdag 10 februari 2018

Andreas Oosthoek - Witheet nadert de ijsberg

Wie schrijft, die blijft, luidt het gezegde. Niet altijd is dat waar: van sommige bestsellerauteurs horen we nooit meer iets en hun boeken zijn na een aantal jaar vergeten. Dan zijn er de kundige volhouders, die met enige regelmaat een geslaagde titel aan hun oeuvre toevoegen. Maar er is nog een heel speciale, derde categorie. Daartoe behoren de Zeeuwse Andreas Oosthoek en Rinus Spruit. Ze schreven wel, maar voelden niet de behoefte er mee naar buiten te treden. Totdat ze, eenmaal op leeftijd gekomen, hun geschriften herontdekten. Op stoffige zolders of in lang niet geopende bureauladen en zij begrepen of voelden dat hun verhalen het waard waren verteld te worden aan latere generaties. Dankzij uitgeverij Cossee zagen zo hun (deels autobiografische) romans het licht.

Ik heb het over de Rietdekker, Een dag om aan de balk te spijkeren (KLIK HIER) en Broeder schrijf toch eens (KLIK HIER) van Rinus Spruit (Nieuwdorp, 1946) en Het relaas van Solle (KLIK HIER) en Vuurland (KLIK HIER) van Andreas Oosthoek (Nieuwdorp, 1942). Cossee gaf al deze boeken uit tussen 2009 en 2017. Van Spruit was nog niet eerder iets verschenen, van Oosthoek, voormalig hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant wel: de poëziebundel De bladen terug (1987) en enkele andere bibliofiele bundels. Na het succes van Vuurland (2016) en Het relaas van Solle (2015) wist Cossee hem over te halen ook zijn poëzie uit te geven. 

In het interview achter in het boek merkt Oosthoek op dat hij het niet eens is met de ondertitel van de dikke, gebonden bundel van 277 pagina's. Bij "Verzamelde gedichten" denk je in de eerste plaats aan alles wat de dichter ooit geschreven heeft. Dat is hier niet het geval. Het gaat om een keuze, er is nog veel meer. Het zijn voornamelijk gedichten van tussen 1959 en 2017.
Wie Vuurland en Het relaas van Solle gelezen heeft, herkent de thema's en verhalen uit die boeken. Het verloren gewaande manuscript van Het relaas van Solle werd geschreven in 1974 en Vuurland dateert oorspronkelijk uit 1965, kort na zijn vertrek bij de identificatiedienst, als afscheid van die hectische en soms slopende periode van zijn jeugd. Een aangrijpend verhaal over een voor velen nog onbekend onderdeel van het Nederlandse leger, waarbij dienstplichtige soldaten de overblijfselen van gesneuvelde soldaten van alle nationaliteiten moesten veiligstellen, identificeren en herbegraven op een centrale begraafplaats of overdragen aan familieleden. Een uiterst zware taak, waartegen niet iedereen opgewassen was.

De bundel is niet chronologisch samengesteld, maar bestaat uit 8 thematische delen. Het verband met de beide romans is soms duidelijk: In deel II Landelijk vertier & een beetje stad wordt het Zeeuwse land rond zijn ouderlijk huis beschreven, zijn jeugd daar, de vreugde en schoonheid van het landelijk leven, maar ook hier en daar de Franse steden. Herkenbaar is het duidelijke verband met Het relaas van Solle. Dat deel VII Vuurland verband houdt met zijn andere roman spreekt voor zich. De compacte vorm van een gedicht over dezelfde gebeurtenissen als in het proza van de roman maakt het bij de lezer opgeroepen gevoel nog intenser.

Zo'n dikke dichtbundel lees je niet in korte tijd uit. Het is voor mij dan ook niet mogelijk de gehele bundel te bespreken. Ik heb mij beperkt tot Vuurland en daar de overtuiging uit geput dat er nog genoeg over blijft om van te genieten en te bewonderen. Een citaat daaruit ter illustratie. Ook zonder het lezen van Vuurland zijn de gedichten goed te begrijpen, maar ik kan me zo voorstellen, dat het lezen van de bundel ook aan kan zetten tot het lezen van de romans. Andreas Oosthoek zelf zegt, dat er voor hem geen onderscheid is tussen proza en poëzie.
De bundel sluit af met Aantekeningen bij sommige van de gedichten, de beantwoording van een aantal vragen aan de dichter opgetekend door de uitgever en een verantwoording van de keuze.

Unbekannter Soldat

Zeventien was hij en is hij - doodstil en
scheef gezakt - gebleven, al jaren op een
hoopje, steeds brozer, brosser, en wat lichter
in het leven, nog goed verzorgd: zo fraai
bewaard de bajonet in blanke olie en alle
bleke kootjes netjes in de wollen wanten.

Te laat had hij geleerd dat zeeën grijs en 
groen en al te zelden blauw zijn, de bomen
rood en wolken niet van rulle sneeuw, te
laat geleerd dat vroeger alles beter was,
vooral de toekomst: Gott mit uns en met
de lamme leden, de krampen in het kruis.

Zijn troep zwaaide waanzinnig met een
witte vlag die viel waar hij gevallen was.

Andreas Oosthoek - Witheet nadert de ijsberg, verzamelde gedichten. Amsterdam, Cossee, 2018. Geb.,  277 pg., isbn:978-90-5936-757-9.

© Jannie Trouwborst, februari 2018.