donderdag 19 oktober 2017

Sanneke van Hassel - Stille grond


Landa en Johannes, de twee hoofdpersonen uit de roman Stille grond van Sanneke van Hassel, lijken uit twee totaal verschillende werelden te komen. Zij woont met haar man Leon en pas geboren dochtertje Cato in het luxe appartementencomplex Domus Aurea en kijkt (letterlijk en figuurlijk) neer op de rommelige opvang voor kwetsbare mensen waar Johannes werkt: Smallenburg. Landa zou het liefst willen dat de opvang verdwijnt, zodat er een parkje met speelgelegenheid voor kinderen kan komen. Johannes is gehecht aan de plek en hoopt na vele verhuizingen nu eindelijk een plek gevonden te hebben voor zijn cliënten waar ze voor langere tijd kunnen blijven. Om ze nog meer zinvolle bezigheden te kunnen bieden, is hij een moestuin begonnen bij de opvang. Maar ook omdat het hem herinnert aan zijn jeugd in het landelijke Noord-Holland.

Landa is nog erg onzeker over haar moederschap. Ze heeft niemand om op terug te vallen. Haar man is druk met zijn werk, terwijl zij het hare kwijtgeraakt is door de crisis kort nadat ze vertelde dat ze zwanger was. Haar moeder is sinds het overlijden van Landa's vader snel achteruit gegaan, lijkt haar dochter niet meer te kennen en is niet geïnteresseerd in haar kleinkind. Aan haar twee vriendinnen heeft ze ook niets. Een nieuwe baan vinden blijkt niet zo gemakkelijk en al is ze blij met haar dochter, de invulling van haar dagen ervaart ze al snel als weinig zinvol. Zeker als Leon voor een goede oppas zorgt, zodat ze haar handen vrij heeft om te "netwerken" zoals hij zegt. Alleen... ze heeft helemaal geen netwerk. Cato en de oppas kunnen het prima vinden, Landa voelt zich steeds overbodiger als ze doelloos rondjes rijdt door Rotterdam of ergens in een café op haar laptop naar vacatures zoekt. Eigenlijk is het dan geen wonder meer dat ze zich met verbetenheid stort op haar idee van een parkje op de plek van de opvang Smallenburg. Ze is bereid daarvoor heel ver te gaan.

Johannes heeft ook niemand. Zijn ouders leven niet meer en zijn zus woont ver weg. Streng opgevoed in een religieus milieu door een hardhandige vader koos hij er al snel voor het huis te verlaten en een opleiding te volgen tot sociaal werker. Op veel plekken heeft hij gewerkt en meegemaakt dat de regels hoe om te gaan met kwetsbare mensen steeds veranderden. Hij verbaast hem, hij heeft zich er maar bij neergelegd, al kan hij niet wennen aan het idee dat er steeds minder begrip is voor de medemens die het om wat voor reden dan ook niet redt in de huidige samenleving Ook kan hij niet goed omgaan met de enorme bureaucratie, vergaderfrequentie en de politieke spelletjes die nodig zijn om de opvang in stand te houden. Tot aan fraude in zijn administratie toe.

Om en om krijgen Johannes en Landa het woord in de roman. Ze komen echter nauwelijks met elkaar in contact. En hoewel ze tegenstrijdige belangen hebben, hebben ze veel meer gemeen dan ze ooit zullen beseffen. Beiden hadden een liefdeloze jeugd met een tekort aan aandacht. Beiden hunkeren naar een zinvol bestaan, een ideaal om voor te vechten. Johannes begint uitgeblust te raken, Landa voelt zich overbodig en niet gezien.

Dat stille stukje grond daar beneden aan de flat wordt de inzet van een conflict, door Landa in gang gezet. In een parkje zal ze andere moeders spreken, kunnen buurtfeesten gehouden worden, zal ze eindelijk contacten opdoen. De buren in de flat, die nu nog zo afstandelijk zijn, zullen haar dankbaar zijn. Elk wissewasje grijpt ze aan om Smallenburg en haar bewoners in diskrediet te brengen. Op vergaderingen probeert Johannes zich te verdedigen. Het gaat haar niet snel genoeg. Ze besluit  een rechts-populistische partij in te schakelen en gaat uiteindelijk over tot een wel erg riskante actie.
Ook op Johannes begint de eenzaamheid te drukken. Hij koos het vak om mensen te redden, op het goede spoor te zetten, dat lukt nog nauwelijks. Maar dan verschijnt er ineens iemand bij de opvang die hem uit zijn moedeloosheid haalt. Ook zijn daden worden riskant.

Komt er een winnaar uit deze symbolische strijd? Niet echt, er zijn wel veel slachtoffers. Het leven van Landa of Johannes is er niet wezenlijk door veranderd. Een oprisping in beider bestaan, meer zal het uiteindelijk niet blijken te zijn.

Veel bewondering heb ik voor de uitwerking van de karakters van zowel de hoofd- als bijfiguren in deze roman. Levensechte mensen komen tevoorschijn door de opmerkingen die ze maken en de manier waarop ze zich gedragen. Ze hoeven nauwelijks meer beschreven te worden: je ziet ze meteen voor je: de bemoeizuchtige, egocentrische "vriendin" Cleo, de rechts-populistische Jos de Palm, Mama Martina, de warme kokkin van Smallenburg en vele anderen. Een bonte stoet. In een grote stad die neergezet wordt zoals ze is: lawaaiig, druk en overvol. En zo zal blijven, ook als Johannes en Landa vertrokken zijn en het stukje Stille grond een andere bestemming krijgt.

Sanneke van Hassel (Rotterdam, 1971) is tot nog toe vooral bekend als auteur van verhalenbundels. Ze beheerst dit genre dan ook zo goed dat ze er al meerdere prijzen mee in de wacht sleepte. Na haar debuut IJsregen (2005) verschenen Witte veder (2007), Ezels (2012) en Hier blijf ik (2014). Als enthousiast pleitbezorger van het korte verhaal stelde ze met Annelies Verbeke de bundel Naar de stad (2012) samen: een bloemlezing met hedendaagse korte verhalen uit de hele wereld. Stille grond is haar tweede roman. In 2010 verscheen haar eerste roman Nest (KLIK HIER).

Sanneke van Hassel - Stille grond. Amsterdam, Bezige Bij, 2017. Pb., 220 pg., isbn:978-90-234-5427-4.

© Jannie Trouwborst, oktober 2017.

zondag 15 oktober 2017

Bettie Elias - De lege schommel

Azmi, een Syrische jongen van 11, moet samen met zijn zusje Rasha (4) en zijn ouders Aleppo ontvluchten. Een groot deel van de stad is platgebombardeerd, een nieuw offensief is aangekondigd en dat zal op hun wijk gericht zijn. Het afscheid van de grootouders en de rest van de familie is moeilijk en verdrietig. Te voet trekken ze door de bergen van Turkije naar de oever van de Middellandse Zee. Van daar brengen mensensmokkelaars hen met een gammele boot naar Italië. Uiteindelijk belanden ze in Brussel in een asielzoekerscentrum en moeten ze wachten op een verblijfsvergunning. Ondertussen leren ze de taal en Azmi gaat naar school. Hier zijn ze veilig, maar of dat ook echt zo voelt? 


Het perspectief van dit uitstekend gecomponeerde verhaal, ligt bij Azmi. Een must voor een dergelijk jeugdboek. Het stelt kinderen gemakkelijker in staat zich met de hoofdpersoon te vereenzelvigen en zich betrokken te voelen bij wat Azmi overkomt. En dat is niet niks!
Hoewel het verhaal chronologisch verteld wordt, lezen we in flash-backs ook over het leven van voor de vlucht. Hoe jongens van zijn leeftijd het ook allemaal wel spannend vinden en (in de ogen van volwassenen) gevaarlijke dingen doen. Hoe ze van de nood een deugd maken en zwemmen in het regenwater in de bomkraters die in de wijk een van de weinige mogelijkheden bieden om even plezier te hebben. Maar ook hoe ze geconfronteerd worden met dode mensen en immens verdriet en angst.

Het echte verhaal begint aan de oever van de Middellandse Zee. Azmi laat zich graag geruststellen door zijn ouders en speelt de grote broer voor zijn zusje, maar het ontgaat hem niet hoe zijn ouders zich groot proberen te houden. De dagenlange tocht over zee is beeldend beschreven: honger en dorst, storm en onweer, verzengende hitte, ruzie op een veel te kleine, gevaarlijke boot. Ook de opvang in Italië, waar ze niemand verstaan en opgesloten worden zonder te begrijpen waarom en wat er gaat gebeuren, maakt goed duidelijk wat het betekent voortdurend in onzekerheid te verkeren en je af te moeten vragen of het ooit nog goed komt. Terwijl teruggaan ook geen optie meer is: alle bezittingen zitten in enkele plastic tasjes, alles van waarde is verkocht om de smokkelaars te betalen en van het huis is niets meer over.

Eenmaal in Brussel in het asielzoekerscentrum zijn er weer andere problemen. Ze moeten een kleine kamer (6 bij 6 meter) delen met een jong echtpaar. Het valt niet mee, zo op elkaars lip te moeten leven. Azmi mag naar school, leert de taal en probeert nieuwe vrienden te maken. Dat is lastig. Hij heeft heimwee naar het Aleppo van voor de oorlog. Alles is zo anders, hij begrijpt de taal nog niet goed genoeg. Hij mist zijn beste vriend Roni. Niet elk kind is bereid hem een beetje te helpen. Hij heeft heel vaak zware hoofdpijn en nachtmerries. Daarvoor bezoekt hij de psychologe van het asielzoekerscentrum. Maar praten kan hij niet, hij tekent liever. Pas na maanden vertrouwt hij haar genoeg om zijn verhaal over Roni te delen. En dat omhelst heel wat meer dan het gemis van een vriend.

Langzaamaan raakt hij "ingeburgerd". In klas krijgt hij vrienden. Mede dankzij de meester tonen de andere kinderen belangstelling voor zijn verhaal en achtergrond. Ook in het asielzoekerscentrum maakt hij een nieuwe vriend: een jongen van zijn leeftijd die alleen de overtocht maakte, omdat zijn ouders geen geld genoeg hadden om het hele gezin te laten vertrekken. En die zijn familie ontzettend mist.
Na een jaar in onzekerheid  breekt de dag aan waarop ze te horen zullen krijgen of ze mogen blijven. Niet lang daarvoor maken ze nog de dramatische uitzetting mee van een Afghaan. Spanning tot de laatste bladzijde dus.

In dit jeugdboek weet Bettie Elias de gebeurtenissen die het leven van een vluchtelingenkind voor de rest van zijn leven zullen tekenen op een spannende en tegelijkertijd gevoelige manier te beschrijven. Het zal kinderen vanaf een jaar of tien geen enkele moeite kosten zich betrokken te voelen bij wat Azmi overkomt. Het boek geeft schrijnende details, maar is nergens echt gruwelijk. Het gaat niet alleen over afscheid nemen en vluchten, maar ook over vriendschap. Kinderen die zich realiseren dat dit niet zomaar een verhaal is, maar dat het allemaal in het echt ook zo gebeurt, zullen eerder bereid zijn hun klasgenootje uit een ander land de helpende hand toe te steken.

Bettie Elias (Hasselt, 1953) schreef al veel meer levensechte en boeiende verhalen voor kinderen, waarbij ze belangrijke thema's aankaart en waarmee ze al viermaal de Boekenwelp won en vijfmaal een bekroning kreeg van de Kinder- en Jeugdjury. Verschillende boeken werden vertaald naar het Duits, Engels, Frans en Deens.

Bettie Elias - De lege schommel. Antwerpen, Davidsfonds/Infodoc, 2017. Pb., 174 pg., isbn:978-90-5908-873-3.

© Jannie Trouwborst, oktober 2017.

vrijdag 13 oktober 2017

Amanda Wood & Mike Jolley - Lang, lang geleden - ontdek de fout

Is geschiedenis te saai voor kinderen? Niet als ze er op een speelse manier kennis mee kunnen maken. Dat moet de drijfveer van Amanda Wood en Mike Jolley geweest zijn bij het samenstellen van een geschiedenispuzzelboek voor kinderen vanaf een jaar of tien. Een stevig gebonden boek in een mooi groot formaat (31 x 31 cm) met kleurige, fantasierijke illustraties van Frances Castle zal voor veel kinderen een leuke verrassing zijn.
Het boek behandelt 10 perioden en plekken op aarde: de Steentijd in Noord-Europa, het Oude Egypte, het Oude Griekenland, het Oude China, het Oude Rome, de Maya's in Centraal-Amerika, de Vikingen in Scandinavië,  Middeleeuwse ridders in Europa, de Mongols in India en de Piraten in de Caraïben. 

Over twee volle bladzijden staat eerst een kleurrijke tekening met heel veel details, op het eerste gezicht typerend voor de periode die besproken wordt. Maar let op: er staan ook zaken op die niet kloppen. Elke plaat bevat 20 fouten die niet allemaal even gemakkelijk te vinden zijn. Die dinosaurus tussen de Steentijdbewoners? En dat bakstenen huis tussen de hutten? Die zullen de meeste kinderen al snel ontdekken. Maar de kippen? En die ladder? Wie alles gevonden denkt te hebben, kan op de volgende twee bladzijden kijken of het juist is. Daar staat de plaat verkleind nogmaals afgebeeld, met cijfers bij de fouten. En in de tekst wordt bij elke fout een uitleg gegeven. Zelfs als je alle fouten ontdekt, leer je ook daar nog iets uit. In een apart kader worden de kenmerken van het leven in de betreffende periode nog eens op een rijtje gezet.

Door de mooie platen en de soms grappige fouten is het leuk om met het boek bezig te zijn. Ook de details die wel op waarheid berusten, spreken aan en nodigen de meest leergierige kinderen uit er meer over op te zoeken en te lezen. Enige basiskennis van de geschiedenis is wel nodig om er optimaal van te kunnen genieten. Dat zal in de bovenbouw van de basisschool doorgaans het geval zijn. De tekst is (mede dankzij een goede vertaling van Ed Franck) voor die doelgroep prettig leesbaar. Daarmee is het boek een aanrader voor wie geschiedenis saai dacht te vinden èn voor wie juist erg in geschiedenis geïnteresseerd is!

Amanda Wood & Mike Jolley - Lang, lang geleden: ontdek de fout. Antwerpen, Davidsfonds/Infodoc, 2017. Geb., 56 pg., ills. van Frances Castle, vert. door  Ed Franck, ISBN: 978-90-5908-880-1.

© Jannie Trouwborst, oktober 2017.

dinsdag 10 oktober 2017

Valerie Eyckmans - Het belang van schoon ondergoed

Vermoedelijk ben ik niet de enige die bij het lezen van de titel van deze roman moet glimlachen. Het brengt me terug naar mijn jeugd. Mijn moeder was er stellig in: "Er kan altijd iets gebeuren waardoor je onverhoopt in het ziekenhuis belandt." Het allerergste wat je in zo'n geval kan overkomen is blijkbaar dat je dan geen schoon ondergoed aan hebt. 
Ook hoofdpersoon Sam in Valerie Eyckmans roman belandt onverwachts in het ziekenhuis. Hij is van een bierfiets gevallen. In het ziekenhuis ontmoet hij Missy, met haar 18 jaar maar een paar jaar jonger dan Sam. Ze heeft kanker. Ze zoeken elkaar geregeld op in het cafetaria van het ziekenhuis. Missy is dol op het maken van lijstjes. Ze draagt haar ziekte vrolijk en houdt van gekke, spontane acties. Maar Missy gaat het niet redden, dat wordt al snel duidelijk in het verhaal. Wat ze Sam nalaat is onder andere haar bizarre bucketlist.  Nu Missy dat niet meer kan, besluit Sam die in haar plaats af te werken.

Toen ik deze samenvatting van de inhoud las, verwachtte ik, in combinatie met de titel, eigenlijk iets luchtigs. Ondanks de ziekte en het overlijden van Missy. Niets bleek minder waar. Weliswaar zitten er humoristische scenes in het verhaal, maar met elk hoofdstuk ontdek je meer van wat er onder de oppervlakte leeft bij Sam en leefde bij Missy. En dat is niet mis, ook al duurt het een heel boek voor Sam dat zelf begint te begrijpen. Hoewel Sam degene is uit wiens perspectief we naar de anderen, ook Missy, kijken, is hij het uiteindelijk die de echte Missy voor ons ontdekt.

De hoofdstukken wisselen af tussen toen en nu, maar worden binnen de reeks chronologisch verteld. In de ene reeks lezen over hun ontmoeting en het verloop van hun relatie tot na het overlijden van Missy. In de andere reeks is Sam via de bucketlist van Missy in Malawi belandt en beleeft daar niet alleen een spannend avontuur, maar wordt ook steeds meer met zichzelf geconfronteerd. Via flashbacks krijgen we de nodige informatie over de gebeurtenissen die het leven van Sam tot dan toe gekleurd hebben. En de eerste aanwijzingen waarom hij doel nog zin in het leven kan vinden. Missy lijkt juist te genieten van haar leven, hoe kort dat ook nog mag duren. Ze vecht vrolijk tegen haar kanker. Twee tegenpolen lijken het, maar dat is de oppervlakte. Ze zoeken beiden naar een houvast en denken dat bij de ander te vinden. Aangrijpend is het proces waar je je als lezer steeds meer bij betrokken voelt, zeker als Missy besluit het vechten op te geven en Sam niet in staat blijkt daar mee om te gaan.

In feite zijn er twee spanningsbogen die in het laatste hoofdstuk bij elkaar komen. Het avontuur in Malawi is van een heel andere orde. Het draait om vrijwilligerswerk op een dorpsschool en het helpen beschermen van een wildreservaat, dat bedreigd wordt door een op geldbeluste reisleider die Amerikanen strikt om er leeuwen te komen schieten. Maar Sams persoonlijke groei gaat door tijdens dit spannende intermezzo, dat je even in staat lijkt te stellen een adempauze te nemen van de zwaarte van het persoonlijke verhaal. De verwerking van het overlijden van Missy, de erkenning van zijn tekortschieten en het begrijpen van de redenen worden hem (en ons voor zover we het al dan niet dachten te zien) gaandeweg duidelijk. 

Een ontroerend verhaal waar je geregeld even stil van wordt. Maar ook met humor, in de acties van Missy, in de beschrijving van de andere hoofdpersonen: Missy ouders een soort van hippies, die van Sam uitermate burgerlijk. Maar ook hier: onder de oppervlakte zijn we allemaal mensen met een eigen verhaal. Dat door sommigen wordt herkend en dat dan verbinden kan. De beide moeders vinden troost bij elkaar, omdat ze beiden een kind verloren. Niet alleen Missy stierf veel te jong, ook Sams broer Gabriël. Juist die diepere laag maakt dit tot een waardevol boek, zowel voor volwassenen als voor Young Adult.

Valerie Eyckmans (1977) schreef jarenlang columns en reportages voor tal van tijdschriften. Ze debuteerde in 2013 met de roman Verloren Maandag, genomineerd voor de Bronzen Uil. Een jaar later volgde De dierbaren.

Valerie Eyckmans - Het belang van schoon ondergoed. Antwerpen, Uitgeverij Vrijdag, 2017. Pb., 190 pg., ISBN: 978-94-6001-563-2.

© Jannie Trouwborst, oktober 2017.

zondag 8 oktober 2017

Rinus Spruit - Broeder, schrijf toch eens!

Rinus Spruit (Nieuwdorp, 1946) is een laatbloeier. In 2008 verschijnt ter gelegenheid van de Week van het Zeeuwse boek zijn debuut als Zeeuws boekenweekgeschenk onder de titel: Zwieg stille. In 2009 herdrukt Cossee het boek met als titel De rietdekker, een familiegeschiedenis. Rinus Spruit schetst met gevoel het harde bestaan van zijn rietdekkersfamilie in het begin van de vorige eeuw. Maar het is meer dan een deels autobiografisch verhaal. Het is daarnaast een roman over een vader en zijn zoon. De oude rietdekker vertelt, zijn zoon schrijft het op. En blijft doorschrijven tot na zijn vaders dood. Het boek blijkt een succes, wordt vertaald en als toneelstuk bewerkt. Zijn tweede roman  Een dag om aan de balk te spijkeren (2013) (KLIK HIER) wordt eveneens goed ontvangen. Ook dit boek is in ruime mate autobiografisch, maar hier ligt de focus meer op het leven van de auteur zelf leven dan op dat van de vader.

Tijdens de Week van het Zeeuwse boek worden drie prijzen uitgereikt: een Juryprijs, een Publieksprijs en de Prijs van de Zeeuwse boekhandels. Zeeuwse schrijvers en/of boeken over Zeeuwse onderwerpen komen ervoor in aanmerking. In 2013 ontvangt Rinus Spruit de Prijs van de boekhandels voor zijn oeuvre dat op dat moment slechts uit deze twee boeken bestaat.

En nu is er van deze laatbloeier opnieuw een boek verschenen: Broeder, schrijf toch eens! Weer een romàn, zoals hij zelf benadrukt: grotendeels gebaseerd op zijn eigen leven, maar met kleine dichterlijke vrijheden. En weer over de verhouding tussen vader en zoon. Maar het is zeker geen herhaling van zetten. De toon is anders, de stijl en structuur wijken af van zijn vorige boeken en, het voornaamste, het thema vader-zoon is heel anders ingevuld.

Na de dood van zijn beide ouders besluit Rinus Spruit naar zijn ouderlijke woning te verhuizen. Juist de afwezigheid van de ouders maakt het gemis groter en de herinneringen aan vroeger helderder. Nu hij zelf ouder begint te worden, begrijpt hij dat hij zijn vader tekort gedaan heeft, hem niet altijd op waarde heeft geschat en vaak geringschattend over hem heeft gedacht. Dat doet pijn, want er is geen kans meer dat goed te maken. 

"Is het de leeftijd, die behoefte me te verdiepen in het leven van mijn vader en voorvaderen? Die drang meer te weten over mijn afkomst en geboortegrond? Of is het, nu mijn vader en moeder dood zijn, het besef van eindigheid? De wetenschap dat ik de eerstvolgende ben?" 

De toon is niet alleen melancholisch en de herinneringen niet alleen maar treurig. Zijn genoteerde gedachten zijn evenzo vaak nuchtere constateringen of filosofische afwegingen. Er gebeurt heel wat van binnen als hij stil achter het raam over de velden kijkt, het huisje ziet waar zijn grootouders woonden en de wisseling van de seizoenen en de rijping van de gewassen op de velden volgt. In het boek tollen de onderwerpen en de manier waarop ze aan de lezer gepresenteerd worden door elkaar: dagboeknotities van hemzelf, losse gedachten, het werkboekje van zijn vader, opkomende herinneringen aan zijn jeugd, vragen die hij zich stelt over verre familieleden: zijn overgrootouders, de geëmigreerde zussen van zijn opa. Op zolder vindt hij in een kist nog veel meer documenten, o.a. brieven van deze zussen. Ook die krijgen een plek in het boek.

Het lijkt een chaotisch geheel, maar gaat het niet vaak zo met herinneringen? Geeft het niet tevens aan hoe verwarrend het is om er door bestormd te worden door in dit huis te verblijven? Niet te weten hoe om te gaan met het besef van nooit meer iets te kunnen vragen of goed te maken?

De brieven van de zusters van zijn opa vanuit Amerika maken duidelijk hoe pijnlijk het is om op je oude dag te beseffen dat je elkaar nooit meer zult zien. Hoe ze hun broer missen. "Broeder, schrijf toch eens!" komt geregeld voor in hun brieven. Van de derde zus die naar Antwerpen vluchtte, achterhaalt hij weinig, maar hij besluit, op aanraden van een goede vriendin, er zelf een verhaal van de maken. Daarmee eindigt het eerste deel van het boek.

Is het tweede deel positiever, meer op de toekomst gericht? Nauwelijks. Hij heeft een afspraak via een contactadvertentie die hem totaal niet brengt wat hij hoopte. De herinneringen blijven terugkomen. En zijn eigen gezondheid begint ook problemen te geven.

"Ik ben niet met mijn dode vader bezig maar met mijn levende. Behoefte hem te helpen, zijn leven te leven, hem te behoeden voor onheil, zijn gids te zijn. Zijn leven lichter maken. Maar dat kan niet meer en dat hoeft niet meer. Hij heeft zijn leven al geleefd. Ik zou hem terug willen zien en word wanhopig omdat dat niet meer kan."

Als de dokter hem vertelt dat zijn ogen hem binnen afzienbare tijd in de steek zullen laten, begrijpt hij dat hij moet nadenken over verhuizen. Hij woont te afgelegen. Maar alleen al het nadenken daarover levert zoveel stress op dat hij het wegschuift. Het resulteert in maagklachten, maar ook in een ontmoeting die hem doet opleven. Is er toch nog hoop op een lichtere toekomst?

Als een auteur nadrukkelijk aangeeft dat zijn boek nogal autobiografisch is, met hier en daar wat wijzigingen om er een roman van te maken, ga je je onwillekeurig toch afvragen: welke zijn dat dan? Een heel groot deel van het verhaal komt zo authentiek over, dat ik hoop dat hij snel zal besluiten te verhuizen. Niet per se vanwege de gezondheid (een dichterlijke vrijheid hoop ik), maar vanwege de somberheid die hem in het huis van zijn ouders zo beklemt. Zijn contactadvertentievriendin (ook een dichterlijke vrijheid?) zegt daar rake dingen over. 

"Het leven dient vooruit geleefd, maar kan slechts achteruit begrepen worden", zeg ik, "dat heb ik niet van mezelf, hoor, dat is een uitspraak van Kierkegaard." "Dat is het nou juist," zegt ze fel, "jij leeft achteruit! Jij leeft de verkeerde kant op!". 

Het is geen vrolijk boek, het is vaak melancholisch en beklemmend. Maar het is allemaal zo mooi opgeschreven. Met prachtige sfeertekeningen, diepzinnige overwegingen en hele nuchtere en rake constateringen. Als hij in het trouwboekje van zijn grootouders de doorgestreepte namen van twee van hun overleden kinderen ziet, schrijft hij:

"Levens doorgestreept of het om een correctie van een proefwerk gaat. Ik zie het voor me: opa, die naar het gemeentehuis sloft met het trouwboekje in zijn hand om het overlijden van zijn drie weken oude dochtertje aan te geven. Een ambtenaar met een brilletje pakt een pen en een liniaaltje en streept met een keurige rechte lijn het leven door. Levens doorstrepen, hij doet de hele dag niets anders."

Een herinnering hoe hij zich nestelt in de voorraad riet van zijn vader bij het schuurtje van zijn opoe:

"Ik zat daar veilig in het riet en voelde me beschermd. Nu, later, jaren later,  stel ik vast dat dit een toestand van geluk was. Denkt een kind van acht erover na of hij gelukkig is?"

Het harde leven van zijn eenvoudige (voor)ouders, de herinneringen aan een gelukkig jeugd, de mijmeringen achter het raam, het genieten van de natuur rondom zijn huis en ja, ook de sombere gedachten: ze horen er allemaal bij. Samen maken ze dit boek tot een waardige opvolger van de vorige twee.

Rinus Spruit - Broeder, schrijf toch eens! Amsterdam, Cossee, 2017. Pb., 156 pg., isbn:978-90-5936-733-3.

© Jannie Trouwborst, oktober 2017.

donderdag 5 oktober 2017

Diane Broeckhoven - De Poppendokter

Hendrik Roest (10) en zijn Joodse bovenbuurmeisje Esther Levine (7) spelen argeloos in de beschutte binnentuin van hun Amsterdamse grachtenhuis. Dat het oorlog is, gaat aan de kinderen volledig voorbij. Pas later zullen ze de signalen herkennen die wel degelijk aanwezig waren, maar die ze toen niet begrepen. Ze spelen vaak "huishoudinkje", met de pop Trui als hun kind. Als Esther op een dag in 1942 snel naar binnen geroepen wordt, blijft Hendrik verbaasd achter met de pop. Het zal een leven lang duren voor de pop hen weer bij elkaar brengt.

Samengevat lijkt het een simpel verhaaltje. Maar de uitwerking ervan door Diane Broeckhoven is bijzonder: spannend en ontroerend tegelijk. Het legt bloot hoe de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog nog generaties lang kunnen doorwerken. In dit boek gaat de meeste aandacht uit naar de Jodenvervolging en de nasleep daarvan. Niet met de nadruk op de gruwelijke gebeurtenissen, maar op het menselijk handelen naar aanleiding daarvan. Wie speelde welke rol bij het oppakken van Esthers familie, wat doet het met een kind dat plotseling van huis weg moet, heimwee heeft ook al wordt er goed voor haar gezorgd en dat terugkomt bij een moeder die getraumatiseerd is?

In korte hoofdstukken wisselt Diane Broeckhoven "Toen" en "Nu" af. Afwisselend lezen we over het verloop van het leven van Esther en dat van Hendrik. Daarbij wordt de schrijfstijl in de "Toen" hoofdstukken aangepast aan de leeftijd en de levenservaring van de beschreven persoon op het moment van handeling. Dat maakt dat je je als lezer betrokken gaat voelen bij het lot van het tweetal. Terwijl jij, als volwassene wel begrijpt of vermoedt wat er speelt.

"Ze sperde haar ogen wijd open van ongeloof. Ze zocht steun bij haar moeder, die nog steeds als bevroren aan de overkant van de tafel stond. "Maar mama, ik ken deze mevrouw niet en oom Gerrit al helemaal niet. Ik wil niet logeren bij mensen die ik niet ken. Ik wil het niet..." Ruth legde haar hand op haar keel, alsof ze de schreeuw die zich daar schuil hield, wilde tegenhouden. Ze opende haar mond, maar er kwam geen geluid uit. Esther trachtte zich los te wringen uit haar vaders armen, maar het lukt niet. Zelfs niet met kietelen. Ze was plots woedend op hem. "Het is voor je eigen veiligheid, meisje. Het moet." zei hij. "We zien elkaar gauw weer. Ik beloof het je."

Eigenlijk is hier sprake van een Romeo en Julia verhaal in een modern jasje. De beide families zien de vriendschap tussen tussen de kinderen niet zitten, omdat ze wantrouwend en afwijzend tegenover elkaar staan. Esther duikt onder, Hendrik verhuist. Maar de pop neemt hij steeds mee, in de hoop die ooit terug te kunnen geven aan Esther. Rond hun dertigste komen ze elkaar bij toeval tegen, willen de jeugdvriendschap voortzetten, maar door pech en de tegenwerking van de beide moeders verliezen ze elkaar weer uit het oog. Ondertussen zijn ze ervan overtuigd dat de ander geen belangstelling meer heeft. 
Het leven gaat verder en het zal nog heel lang duren voor ze elkaar weer ontmoeten. Hendrik heeft zo langzamerhand zijn vermoedens over de rol van zijn ouders destijds, Esther ontdekt die van haar moeder kort na haar overlijden. Ze zijn er boos en verdrietig over. Het had allemaal zo anders kunnen zijn. Beiden proberen te begrijpen wat hun ouders bewogen heeft. En niet te oordelen, al is dat erg moeilijk. Het is nu eenmaal zoals het is. En al zijn ze inmiddels oude mensen, het laatste hoofdstuk heet toch "Nu - Laatste kans". Of die er nog is? Dat mag de lezer zelf uitmaken.

Diane Broeckhoven (Antwerpen, 1946) woonde vanaf 1970 30 jaar in Nederland. In 2000 keert ze terug naar haar geboortestad. Er staan dan al meer 20 jeugdboeken op haar naam. Die leveren haar meermaals literaire prijzen op, waaronder twee Boekenleeuwen. Ze schrijft voor de jeugd op een indringende manier over taboedoorbrekende onderwerpen. In 1998 schrijft ze haar eerste roman voor volwassenen: De buitenkant van Meneer Jules (KLIK HIER). Het boek zorgt voor een internationale doorbraak (vertaald in 16 landen). Het vervolg op dit ontroerende verhaal is Reiskoorts (KLIK HIER).

In haar romans weet Diane Broeckhoven met een scherp inlevingsvermogen grote levensthema's te vatten in een uiterst toegankelijk verhaal, waarbij problematische relaties vaak aan de basis ervan liggen. Ze is een meester in het oproepen van sferen, in een subtiele en trefzekere taal. De hoofdrol is niet zelden voor ouderen of voor een volwassen kind dat terugkijkt naar de verhouding met zijn/haar inmiddels bejaarde ouder.

Diane Broeckhoven - De Poppendokter. Antwerpen, Vrijdag, 2014. 128 pg., ISBN:978-94-6001-280-8.

© Jannie Trouwborst, oktober 2017.

Deze recensie verscheen het eerst op Mijn Boekenkast.

zaterdag 30 september 2017

Tim Parks - De roman als overlevingsstrategie

Toen ik vijftig jaar geleden les kreeg van Kees Fens op de Bibliotheek Academie in Amsterdam (de eerste en enige op dat moment), was het vloeken in de kerk als je ook maar iets van de achtergronden van een schrijver wilde betrekken bij het beoordelen van een boek. Het boek diende als een autonoom kunstwerk beschouwd te worden. Ik voelde me daar niet prettig bij. Het was voor mij dan ook een hele opluchting in het boek van Tim Parks te lezen dat hij iets dergelijks meemaakte tijdens zijn studie Engelse literatuur.

"Maar ik voelde meteen dat er iets mis was. Waarom mochten we nooit praten over de schrijvers zelf en de rol die boeken speelden in hun leven? Er kwam altijd een rode streep te staan door je opstel als je probeerde na te denken over het ontstaan van het verhaal. En waarom spraken we nooit over de lezers, over wie welke boeken las en waarom sommige boeken duidelijk geschreven waren voor een bepaald type mens en andere boeken schijnbaar voor niemand, tenzij misschien voor de auteur zelf? Waarom mocht je nooit spreken over je persoonlijke reactie, waarom je bijvoorbeeld niet van een bepaald boek hield, zelfs een klassieker; waarom je een goede reden had om er niet van te houden, of meende te hebben, en waarom je er merkwaardig genoeg een grote hekel aan bleef houden zelfs als je er geen goede reden voor had, ook al hadden alle autoriteiten de tekst subliem verklaard. Vreemd genoeg sloot de STUDIE van literatuur systematisch de ERVARING van literatuur uit."

Dat laatste is voor een studie aan de Bibliotheek Academie nog merkwaardiger. Hoewel het vijftig jaar geleden nog je taak was om de bibliotheekbezoekers (indien van toepassing) te begeleiden van het niveau van streekromanlezers tot dat van literatuurliefhebbers, was het daarnaast de bedoeling dat je een collectie kon samenstellen die voldeed aan de behoefte van je klanten. En dat lijkt een onmogelijke opgave, als je de leeservaring uit moet sluiten. Vandaar mijn ongemak, en mijn opluchting bij het zien van de ondertitel van Tim Parks boek: "Een nieuwe kijk op de relatie tussen schrijver, tekst en lezer."

Aan de hand van de levensloop en de uitgegeven werken van vier auteurs toont Parks aan wat hij bedoelt. Het gaat om James Joyce, Thomas Hardy, D.H. Lawrence en Charles Dickens. En (op verzoek van de uitgever en niet geheel van ganser harte) van hemzelf. Dat het hier om Engelse auteurs gaat, is geen enkel probleem. Ik ken hun namen en werken weliswaar alleen van horen zeggen, maar de uitwerking is degelijk genoeg om het betoog te kunnen volgen. Het zou zomaar van toepassing kunnen zijn op Nederlandstalige auteurs.

Hij toont aan dat niet alleen bepaalde thema's verwijzen naar de levensloop van een schrijver, maar dat ook het gedrag, de gevoelens en gedachten van zijn hoofdpersonen in een bepaald daglicht komen te staan. Hij stelt echter nadrukkelijk: 

"Het is banaal om te zeggen dat een boek OVER gebeurtenissen uit het leven van de auteur gaat en dan meer aandacht aan die gebeurtenissen te schenken, dan aan het boek zelf."

De auteur gebruikt uiteraard zijn fantasie bij het schrijven van zijn roman. Toch put hij, al dan niet bewust, op verschillende manieren uit zijn persoonlijke belevingswereld, achtergronden en overtuigingen. Het kan voor een lezer een waardevolle toevoeging zijn daar iets van te weten, om zo beter te begrijpen waarom een bepaalde roman hem zo aanspreekt of juist tegen staat. Dat zegt in beide gevallen ook iets over de lezer zelf en hoe die in het leven staat.

Parks benadrukt dat hij het hier over literatuur heeft. Er is niets mis mee een boek te beoordelen op de technische kwaliteiten waaraan literatuur moet voldoen. Lidewijde Paris legt in Hoe lees ik? (KLIK HIER) uit waaraan je het vakmanschap van schrijvers kunt herkennen. Maar zij besteedt ook nadrukkelijk aandacht aan het referentiekader van de lezer en de poëtica van auteurs, lezers en critici. Dat laatste verwijst naar het geheel van opvattingen dat een schrijver, uitgever, lezer of recensent heeft over wat literatuur is. En dat zo individueel is, dat het niet zelden tot een verschil van mening komt bij het beoordelen van een literaire roman.

Zet hij hiermee de beroepsrecensenten buiten spel? Niet noodzakelijkerwijs, als ze zich tenminste willen beperken tot een technische bespreking en zich realiseren dat zelfs daarbij persoonlijke factoren een rol spelen. En dat hun afkeuring van of voorkeur voor een bepaald werk niet automatisch hoeft te betekenen dat de lezers op dezelfde manier op het boek zullen reageren.

De auteur schrijft in principe (meestal toch) om gelezen te worden, om zijn lezers iets te bieden waarvan hij denkt dat het waardevol is. In deze tijden van Tv-interviews en lezingen zijn schrijvers vaak bekende persoonlijkheden wiens levensverhalen voor een deel bekend zijn bij het grote publiek. Toch begint de belangstelling voor de persoon van de schrijver meestal pas nà het lezen van een van zijn boeken. De kiem ligt in het werk zelf: in de thema's, de personages, de gebeurtenissen.

Tim Parks moedigt met De roman als overlevingsstrategie lezers aan op zoek te gaan naar de redenen achter hun voorkeur voor of afkeer van bepaalde boeken en auteurs. Samen met Hoe lees ik? van Lidewijde Paris moet dat lukken.

"Ik wil alleen maar suggereren dat jouw positie, net als de mijne, niet te danken is aan een erkenning van een absolute kwaliteit van de auteur, maar aan de mate waarin het "klikt" tussen twee mensen met verschillende wereldvisies, die aanvullend of tegenstrijdig kunnen zijn. Voor mij maken je literaire voor- en afkeuren deel uit van het bredere patroon van je relaties, en zijn ze verbonden met het soort gezin dat je hebt, het leven dat je leidt. Hoewel schrijven in het algemeen niet per se "goed" is of zelfs "iets goeds" kan het een erg levendig iets zijn, ik bedoel dat het deel uitmaakt van het leven. Wanneer we een roman openslaan, begeven we ons, net als bij elke ontmoeting, in een gevarenzone." (Uit het voorwoord).

Tim Parks - De roman als overlevingsstrategie. Een nieuwe kijk op de relatie tussen schrijver, tekst en lezer. Amsterdam Arbeiderspers, 2017. Pb., 238 pg. Met lit. opg. ISBN: 978-90-295-07011.

© Jannie Trouwborst, september 2017.